Citaat | Raad van State 14 december 2011

Alinea 39 Raad van State 14 december 2011

Een alinea uit Raad van State 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7902.

2.9.6. De Afdeling overweegt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid aan het belang van [belanghebbende], die de melkveehouderij exploiteert, een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] bij het behouden van hun huidige woon- en leefklimaat. Hierbij betrekt de Afdeling dat het uitzicht van [appellant sub 1] en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] in noordwestelijke respectievelijk westelijke richting weliswaar wordt beïnvloed als gevolg van de vestiging van een deel van het agrarisch bedrijf ter plaatse, maar dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat. Bovendien hebben zij nog altijd vrij uitzicht in de overige richtingen. Voorts wordt in het in zoverre niet nader onderbouwde standpunt van [appellant sub 1] en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluid- en geurhinder die wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van de woning en de stal, gelet op de onderlinge afstanden en gelet op de ligging in het buitengebied niet onaanvaardbaar zal zijn. Voor zover [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] vrezen voor een aantasting van hun privacy en rust alsmede overlast van vliegen en ongedierte, overweegt de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zo hiervan al sprake zal zijn dit zeer beperkt zal zijn vanwege de grote afstand van hun woningen tot het bouwvlak. Wat betreft de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] gevreesde waardedaling van hun woningen, overweegt de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze niet zodanig zal zijn dat daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben aangevoerd voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat niet is voldaan aan de in artikel 4.7, aanhef en onder c, aanhef en onder 8, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsvoorwaarde dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de woonsituatie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/72587841a98f3d34fe2f0a12bd36afec565ac41ba3e38b38314055e32a4c40d6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 72587841a98f3d34fe2f0a12bd36afec565ac41ba3e38b38314055e32a4c40d6, en de alinea staat in dat document op bytes 15636 tot 17947.