Citaat | Raad van State 19 april 2012

Alinea 46 Raad van State 19 april 2012

Een alinea uit Raad van State 19 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4915.

2.8. De vreemdeling heeft voorts in beroep onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), A. en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, van 19 februari 2009, nr. 3455/05 (www.echr.coe.int), betoogd dat zij in strijd met artikel 6 van het EVRM en artikel 47, tweede alinea, van het EU Handvest, geen kennis heeft kunnen nemen van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de omstandigheid dat de rechter de onderliggende stukken van het ambtsbericht mag inzien, niet maakt dat is voldaan aan het vereiste van 'adversarial proceedings' ofwel een procedure op tegenspraak, zoals bedoeld in die bepalingen. Voorts heeft zij gesuggereerd om de prejudiciële vragen te stellen of artikel 47 van het EU Handvest in vreemdelingenzaken dezelfde procedurele voorwaarden aan een eerlijk proces stelt als artikel 6 van het EVRM wanneer die bepaling van toepassing is en zo ja, of dan dezelfde uit de jurisprudentie van het EHRM af te leiden bewijsregels ten aanzien van geheim bewijs van toepassing zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e41e3bda0049c89cfeca01a48b4999347c3015184f724d0f77e76f131ad9d820. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e41e3bda0049c89cfeca01a48b4999347c3015184f724d0f77e76f131ad9d820, en de alinea staat in dat document op bytes 16412 tot 17518.