Citaat | Raad van State 23 oktober 2013

Onder 4.17 Raad van State 23 oktober 2013

Een alinea uit Raad van State 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1586.

Het is echter denkbaar dat de grote kamer op dit punt een andere lijn wil volgen en van oordeel is dat de rechtbank, op grond van artikel 8:69, tweede lid, Awb, de kwestie die in de zaak Sahin aan de orde was - in hoeverre staat artikel 13 van besluit nr. 1/80 in de weg aan de heffing van leges van een Turkse onderdaan als [appellant A]? - met ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden in de beoordeling zou hebben moeten betrekken. De zaak van [appellant A] c.s. betreft immers de heffing van leges en als in de zaak Sahin zou worden vastgesteld dat die heffing in strijd is met het recht, dan komt de rechtbank aan de vraag over het lik-op-stukbeleid niet meer toe. Mij zijn overigens geen zaken uit de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters bekend, waarin artikel 8:69, tweede lid, Awb in een min of meer vergelijkbare zaak aldus is toegepast. (zie noot 130) Niettemin ga ik ter voorlichting van de grote kamer - en wellicht ten overvloede - hierna nader in op de relevantie van de in de zaak Sahin gestelde vragen voor de legesheffing in de zaak van [appellant A] c.s..

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60d487911e81be0e6ccefebf2fded093e999d052a5946025e2c0c0cc7fda8929. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60d487911e81be0e6ccefebf2fded093e999d052a5946025e2c0c0cc7fda8929, en de alinea staat in dat document op bytes 150297 tot 151442.