Citaat | Raad van State 13 november 2013
Alinea 66 Raad van State 13 november 2013
Een alinea uit Raad van State 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1908.
Verder mogen bij de beoordeling van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob feiten en omstandigheden worden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Het kan derhalve gaan om strafbare feiten waarvan niet in rechte is vastgesteld dat en door wie zij zijn gepleegd. Wel dient het aannemelijk te zijn dat de strafbare feiten zijn gepleegd. De in de adviezen vermelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen een dergelijk vermoeden. Dat geen strafrechtelijke veroordeling dan wel vervolging heeft plaatsgevonden doet aan het voorgaande niet af. Voorts heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in het door [appellanten] aangehaalde arrest van 27 september 2011, Hrdalo tegen Kroatië, nr. 23272/07 (www.echr.coe.int) overwogen dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich kan uitbreiden tot een bestuursrechtelijke procedure, indien er een zodanige band bestaat tussen die procedure en een parallel daarmee plaats hebbende strafrechtelijke procedure dat de bestuursrechtelijke procedure in feite leidt tot een vaststelling omtrent de schuld van betrokkenen, terwijl die niet onherroepelijk in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. In de thans voorliggende zaak vindt echter met het besluit van de burgemeester geen vaststelling van schuld plaats en wordt van die schuld ook niet uitgegaan. In het arrest van 21 maart 2000, Asan Rushiti tegen Oostenrijk, nr. 28389/95 (www.echr.coe.int) heeft het EHRM overwogen dat het uiten van twijfel over iemands onschuld met betrekking tot feiten waarvan deze onherroepelijk is vrijgesproken, in strijd is met de onschuldpresumptie. Die situatie doet zich hier evenwel niet voor, zodat zich geen strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM voordoet. Voorts is de situatie als in het door [appellanten] aangehaalde arrest van 16 oktober 2008, Kyriakides tegen Cyprus, nr. 39058/05 (www.echr.coe.int) niet aan de orde. In die zaak was de verzoeker niet veroordeeld. Voorts was de betrokkenheid van de verzoeker niet vastgesteld in een strafrechtelijke of andere procedure en waren de ondergeschikten van de verzoeker vrijgesproken van de delicten waarvoor zij waren vervolgd. Dat [appellant A] ter zake van het overschrijden van de toegestane handelsvoorraad niet is veroordeeld dan wel vervolgd, neemt niet weg dat [broer appellant A] verscheidene malen is veroordeeld wegens het handelen in strijd met de Opiumwet. Geen grond bestaat derhalve voor het oordeel dat artikel 8 van het EVRM is geschonden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat het vermoeden bestaat dat [appellant A] in strijd handelt met de Opiumwet. Anders dan [appellanten] betogen, is de weigering van de exploitatievergunning dan ook niet uitsluitend gebaseerd op feiten die [broer appellant A] betreffen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3023f212f4e17e214996eb2ac70970ed92663bac20b2f7648ea8086dbbd66c95. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3023f212f4e17e214996eb2ac70970ed92663bac20b2f7648ea8086dbbd66c95, en de alinea staat in dat document op bytes 30476 tot 33432.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3023f212f4e17e214996eb2ac70970ed92663bac20b2f7648ea8086dbbd66c95 | shasum -a 256