Citaat | Raad van State 26 juni 2013

Alinea 39 Raad van State 26 juni 2013

Een alinea uit Raad van State 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:89.

4. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling niet als zelfstandige kan worden aangemerkt en dat de rechtbank daarbij ten onrechte het standpunt van de minister heeft gevolgd dat zich een gezagsverhouding voordeed tussen [appellant A] en de vreemdeling. Daartoe voeren appellanten aan dat de rechtbank de bewijslast over de vraag of de vreemdeling als zelfstandige is aan te merken ten onrechte bij appellanten heeft gelegd. Zij stellen dat uit de omstandigheden dat [appellant A] de vreemdeling vertelde wat hij moest doen, hem in de gaten hield en zijn werk controleerde, niet volgt dat de vreemdeling de werkzaamheden niet als zelfstandige heeft verricht. Het toezicht van appellanten op de werkzaamheden van de vreemdeling ging niet verder dan logischerwijs voortvloeide uit hun positie als eigenaren van [bedrijf], aldus appellanten. Voorts wijzen zij erop dat de vreemdeling stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: het handelsregister) en hij werkzaamheden verrichtte voor meerdere opdrachtgevers. Appellanten wijzen tevens op de door de vreemdeling aan appellanten gerichte facturen voor zijn werkzaamheden en betogen dat dat sprake is van werkzaamheden in de zin van artikel 49 van het VWEU.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dccd294e104660b96fcbf729b2e9c696a0f342f1e0d7a98934e841009cc291cf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dccd294e104660b96fcbf729b2e9c696a0f342f1e0d7a98934e841009cc291cf, en de alinea staat in dat document op bytes 14776 tot 16069.