Citaat | Raad van State 28 mei 2014

Alinea 37 Raad van State 28 mei 2014

Een alinea uit Raad van State 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1912.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat omzetting van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte niet aan de orde was, althans dat de geconstateerde bewoning niet met haar toestemming of wetenschap is ontstaan. De twee huurders waarmee de huurovereenkomst is aangegaan, hebben een affectieve relatie met elkaar en woonden samen in de woning. De andere personen hebben de woning nooit van haar gehuurd en zijn ook in de gemeentelijke basisadministratie niet ingeschreven als bewoners van de woning. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat uit het boeterapport volgt dat twee van de vier in de woning aangetroffen personen niet zijn gehoord. De twee huurders zijn niet gehoord en zijn nu niet meer te traceren. Gelet op de omstandigheid dat de verklaringen van de huurders in haar voordeel zouden zijn, is zij ernstig benadeeld in haar juridische positie. [appellante] voert aan dat uit de verklaringen van de twee gehoorde personen blijkt dat zij niet wisten dat zij verhuurder is van de woning. Zij zijn via [bedrijf] aan de woning gekomen. Verder voert [appellante] aan dat zij per 1 mei 2012 de woning aan de huurders heeft verhuurd. De controle heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. In de tussenliggende tijd had zij geen aanwijzingen om te twijfelen aan het feit dat in de woning uitsluitend de huurders verbleven, aldus [appellante]. Zij wijst erop dat zij geen klachten van buren heeft ontvangen. Derhalve heeft de rechtbank volgens haar ten onrechte overwogen dat zij behoorde te weten dat naast de huurders andere personen in de woning verbleven. Toen zij na aanschrijving van het college van de illegale situatie op de hoogte raakte, heeft zij onmiddellijk de onrechtmatige situatie beëindigd. Had [appellante] eerder van de onrechtmatige situatie geweten dan had zij hieraan op dat moment reeds een einde gemaakt. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het opleggen van een boete van €12.500,00 een onevenredige maatregel is in verhouding tot de mate van verwijtbaarheid. De rechtbank heeft in strijd met artikel 6 van het EVRM en de artikelen 5:41 en 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de rechtmatigheid en evenredigheid van deze boete, die een punitief karakter heeft, niet vol getoetst. Derhalve dient de oplegging van de boete te worden vernietigd, althans de hoogte ervan te worden gematigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/179aa92188fe7b7644a135756fff5ec883bfdd55248295aeed41c1d98b782619. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 179aa92188fe7b7644a135756fff5ec883bfdd55248295aeed41c1d98b782619, en de alinea staat in dat document op bytes 11609 tot 14059.