Citaat | Raad van State 23 juni 2014
Alinea 263 Raad van State 23 juni 2014
Een alinea uit Raad van State 23 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2260.
De andere door de Afdeling genoemde bijdragevormen, de garantstelling en het dragen van financiële risico’s, roepen meer vragen op. Deze vormen zijn gezamenlijk aan de orde bij de waarborgfondsen, de Stichting WEW en de Stichting Waarborgfonds Kinderopvang. Deze fondsen stellen zich garant voor de verplichtingen van hun doelgroep (huizenkopers, kinderopvanginstellingen) ten opzichte van derden (banken), zodat de doelgroep verdergaande verplichtingen kan aangaan dan wanneer zij deze garantstelling niet krijgt. Voor zover de taak van deze fondsen (in overwegende mate) worden gefinancierd met overheidsmiddelen, kan men deze garantstelling op zich onder de publieketaakjurisprudentie brengen, ( zie noot 117 ) omdat overheidsgeld wordt ‘uitgekeerd’ als de doelgroep zijn verplichtingen niet kan nakomen (en de overheid in zoverre financieel risico draagt). Bij de Stichting WEW is de Afdeling daartoe ook overgegaan, bij de Stichting Waarborgfonds Kinderopvang niet. Of het onderbrengen van deze vormen onder die jurisprudentie verstandig is, betwijfel ik echter. In de eerste plaats is de financiële band bij deze waarborgfondsen - anders dan bij de andere vormen van verlening die onder de publieketaakjurisprudentie vallen - een voorwaardelijke, die zich pas verwerkelijkt als de doelgroep financiële problemen krijgt. Bovendien worden de middelen dan niet doorgesluisd naar de doelgroep zelf, maar naar de derde. In de tweede plaats toont de rechtspraak met betrekking de Stichting WEW (zie punt 3.14) aan dat de publieketaakjurisprudentie bij de beslissingen van die stichting maar gedeeltelijk haar doel bereikt. Diverse beslissingen waarbij het belang van de ‘doelgroep’ (geldnemer) in het geding is, worden vanwege de verwevenheid met de privaatrechtelijke relatie tussen de stichting en de derde (geldgever) door de Afdeling niet aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Dat leidt ertoe dat de stichting afhankelijk van de concrete beslissing onderworpen is aan het Awb- of privaatrechtelijke regime en dat de burger bij de bestuursrechter regelmatig met lege handen staat. Echt bevredigend is deze situatie niet. Gelet hierop vraag ik mij af of het niet verstandig zou zijn om de onderhavige garantstellingen (en het dragen van een financieel risico) weer buiten de publieketaakjurisprudentie te plaatsen. Het doel hiervan wordt maar gedeeltelijk bereikt en dat weegt naar mijn gevoel niet op tegen de gecreëerde complexiteit en rechtsonzekerheid.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1815b4de818709b72d7a9463b3f4608aeb998b86ed64a490939e00f248fbfa14. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1815b4de818709b72d7a9463b3f4608aeb998b86ed64a490939e00f248fbfa14, en de alinea staat in dat document op bytes 185330 tot 187863.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1815b4de818709b72d7a9463b3f4608aeb998b86ed64a490939e00f248fbfa14 | shasum -a 256