Citaat | Raad van State 16 juli 2014
Alinea 65 Raad van State 16 juli 2014
Een alinea uit Raad van State 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2621.
6. Het college en RWE betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de documenten die met RWE, Nuon, Groningen Seaports en door hen ingeschakelde adviseurs zijn gewisseld niet kunnen worden geacht te zijn opgemaakt ten behoeve van intern beraad en dat het college derhalve in zoverre geen beroep kan doen op artikel 11 van de Wob. Het college en RWE voeren hiertoe aan dat de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 tot en met 5.7 van de aangevallen uitspraak een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip intern beraad en daardoor een onjuist toetsingskader heeft aangelegd. Zij heeft ten onrechte overwogen dat documenten niet zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, indien externe derden van wie duidelijk is dat zij een eigen belang behartigen daaraan hebben deelgenomen, tenzij de wetgever uitdrukkelijk voorziet in een medeverantwoordelijkheid van die derden voor de besluitvorming gericht op de bestuurlijke standpuntbepaling. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kunnen externe derden deelnemen aan intern beraad als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wob. RWE verwijst hiertoe naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Wob (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13). Volgens het college en RWE is het oogmerk waarmee de desbetreffende documenten zijn opgesteld bepalend. In dit geval gaat het om documenten betreffende overleggen ten behoeve van de standpuntbepaling van het college over een bestuurlijke aangelegenheid waarover met de betrokken personen is afgesproken dat de beraadslaging vertrouwelijk zou blijven. Gelet hierop zijn de documenten, genoemd in rechtsoverweging 8.4 en 9.2 van de aangevallen uitspraak, volgens het college en RWE opgesteld ten behoeve van intern beraad. Volgens het college heeft de rechtbank in rechtsoverweging 5.7 van de aangevallen uitspraak de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2006 (in zaak nr. 200505098/1) op onjuiste wijze uitgelegd. Uit die uitspraak volgt volgens het college dat een vooroverleg met derden, gericht op de totstandkoming en indiening van een in de wet geregeld stuk, niet valt onder de definitie intern beraad. Gelet hierop heeft het college een onderscheid gemaakt tussen documenten die zien op de periode voorafgaand aan de vergunningverlening tot en met de bezwaarschriftprocedure en documenten die zien op de periode vanaf de beroepsprocedure. Laatstgenoemde documenten zijn volgens het college en RWE opgesteld ten behoeve van intern beraad, omdat deze informatie bevatten over een overleg dat erop was gericht om het college in staat te stellen een standpunt in te nemen over een bestuurlijke aangelegenheid, hetgeen de rechtbank heeft miskend. Dat de derden in dit geval privaatrechtelijke partijen zijn, doet volgens het college en RWE aan voormeld standpunt niet af. De rechtbank heeft in dat kader volgens het college eveneens een onjuiste uitleg gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2011 (in zaak nr. 201008458/1/H3). De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat alleen van intern beraad kan worden gesproken als externe personen zonder eigen belang hun aandeel in dat beraad leveren. Dit criterium is volgens het college in de jurisprudentie van de Afdeling noch in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wob terug te vinden. Het college en RWE verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling van 24 november 2004, 18 februari 2009, 19 januari 2011 en 22 mei 2013 (in zaak nrs. 200308272/1, 200804345/1, 201002672/1/H3 en 201108747/1/A3) waarin documenten werden geacht te zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, terwijl externe derden, die volgens het college onmiskenbaar een eigen belang hadden, daaraan hadden deelgenomen. Voor het oordeel dat, in geval externe derden bij het beraad betrokken zijn, de daarbij opgestelde documenten alleen moeten worden geacht ten behoeve van intern beraad te zijn opgesteld indien de wetgever uitdrukkelijk voorziet in een medeverantwoordelijkheid van die derden, bestaat volgens het college en RWE geen grond. Uit artikel 3:2 van de Awb volgt dat het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen dient te vergaren, waaronder ook het inwinnen van informatie bij externe derden valt, aldus het college en RWE.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c52eefc4a2e68b43dcfce50d8585215cadd7b757f598403f3d1eb07adf440776. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c52eefc4a2e68b43dcfce50d8585215cadd7b757f598403f3d1eb07adf440776, en de alinea staat in dat document op bytes 23832 tot 28104.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c52eefc4a2e68b43dcfce50d8585215cadd7b757f598403f3d1eb07adf440776 | shasum -a 256