Citaat | Raad van State 16 juli 2014

Alinea 38 Raad van State 16 juli 2014

Een alinea uit Raad van State 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2683.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat er geen ruim tijdsverloop bestaat tussen de verdenking van overtreding van de Opiumwet en diefstal onder verzwarende omstandigheden in de periode van november 2011 tot 11 januari 2012 en het besluit op bezwaar van 10 juni 2013. De enkele omstandigheid dat in deze zaak op dat moment nog geen verdere vervolging heeft plaatsgevonden, betekent niet dat de rechtbank daarin reden had moeten zien voor het oordeel dat de staatssecretaris er niet langer van mocht uitgaan dat het hier niet om lichte vergrijpen gaat dan wel dat [appellant] ten onrechte van deze vergrijpen wordt verdacht. Voorts laat het betoog van [appellant] over zijn antecedenten, wat daar verder ook van zij, onverlet dat hij in de periode van 1995 tot 2006 meer dan incidenteel strafrechtelijk is veroordeeld. In het licht van het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de door de staatssecretaris verrichte belangenafweging rechtens juist heeft geacht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/46dbb4e951d2beefc49227906643128f03cc346d23d45011799a2ebd14164c14. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 46dbb4e951d2beefc49227906643128f03cc346d23d45011799a2ebd14164c14, en de alinea staat in dat document op bytes 17163 tot 18270.