Citaat | Raad van State 27 augustus 2014

Alinea 25 Raad van State 27 augustus 2014

Een alinea uit Raad van State 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3198.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte van uit gaat dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is overtreden. Zij betwist dat op 21 augustus 2012 harddrugs in de woning zijn aangetroffen en wijst erop dat toen ook geen gripzakjes, versnijdingsmiddel of andere hulpmiddelen die op de verkoop van drugs wijzen, zijn gevonden. [appellante] voert aan dat, als al moet worden aangenomen dat in de woning cocaïne aanwezig was, het om een zodanig geringe hoeveelheid ging dat moet worden aangenomen dat [echtgenoot] deze voor eigen gebruik voorhanden had. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de juistheid van de op 21 augustus 2012 door [persoon] afgelegde verklaring dat hij de cocaïne in de woning heeft gekocht. Zij wijst erop dat [persoon], eerder die dag en naderhand - op 9 november 2012 - heeft verklaard dat hij de cocaïne op het station in Maastricht heeft gekocht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/43da828589f6c7c40d4383bffe42f9344e9754266b1ba12bf52e4375ca99e519. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 43da828589f6c7c40d4383bffe42f9344e9754266b1ba12bf52e4375ca99e519, en de alinea staat in dat document op bytes 8904 tot 9878.