Citaat | Raad van State 17 december 2014

Alinea 39 Raad van State 17 december 2014

Een alinea uit Raad van State 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4551.

De staatssecretaris heeft Hoorntje op 5 oktober 2011, gebruikmakend van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb, verzocht om een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij bevoegd is om de belangen van [appellante] te behartigen. Hoorntje heeft hieraan geen gehoor gegeven en heeft ook verder in de bestuurlijke fase geen machtiging overgelegd. De staatssecretaris heeft dan ook niet kunnen vaststellen of Hoorntje bevoegd was om de ingebrekestellingen namens [appellante] in te dienen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de brieven van 23 september 2011, 15 december 2011 en 4 april 2012 onder die omstandigheden niet zijn aan te merken als ingebrekestellingen in de zin van artikel 4:17 van de Awb. In het door [appellante] aangehaalde arrest van de Hoge Raad ziet de Afdeling geen aanleiding om anders te oordelen. In dat arrest was de mogelijkheid van een onbevoegd persoon om op eigen naam een ingebrekestelling in te dienen aan de orde en niet, zoals thans het geval is, de mogelijkheid van een onbevoegd persoon om dat namens een bevoegd persoon te doen. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris geen dwangsommen is verschuldigd. De rechtbank heeft voorts terecht aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 17 april 2012 in stand te laten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f8444b02f4a537b2e057e88549cfa403149fa3d4674e1d428eba02027417265d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f8444b02f4a537b2e057e88549cfa403149fa3d4674e1d428eba02027417265d, en de alinea staat in dat document op bytes 15240 tot 16623.