Citaat | Raad van State 15 januari 2014

Alinea 52 Raad van State 15 januari 2014

Een alinea uit Raad van State 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:61.

6. Tot slot betoogt [appellante sub 1] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is geschonden. [appellante sub 1] stelt dat de redelijke termijn is aangevangen op 12 mei 2011, de dag waarop het boeterapport aan haar werd toegezonden, dan wel op 22 juni 2011, de dag van de boetekennisgeving, zodat de redelijke termijn in ieder geval op het moment van de uitspraak van de Afdeling zal zijn geschonden. Voorts betoogt [appellante sub 1] dat de rechtbank ingevolge artikel 8:69, tweede lid, van de Awb verplicht was de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/89148bec67166b77476d1bd8f3fdd706affedec56b7f4044e6cb8f38bbfd8519. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 89148bec67166b77476d1bd8f3fdd706affedec56b7f4044e6cb8f38bbfd8519, en de alinea staat in dat document op bytes 20218 tot 20967.