Citaat | Raad van State 12 maart 2014

Alinea 34 Raad van State 12 maart 2014

Een alinea uit Raad van State 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:843.

3.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2013 in zaak nr. 201211464/1/A3 wordt overwogen dat voor het opleggen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig, voor het CBR op basis van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid vast dient komen te staan dat [appellant] onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het CBR op goede gronden heeft besloten om aan [appellant] de verplichting op te leggen om mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Blijkens het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, met kenmerk PL123E 2012033117-1, hebben de verbalisanten [appellant] op 5 februari 2012 aan de bestuurderszijde van een langs de openbare weg geparkeerde auto aangetroffen, waarvan de motor en de lampen nog aanstonden en hebben zij bij [appellant] het inwendig gebruik van alcoholische drank geroken. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van verhoor, met kenmerk 2012033117-6, van 5 februari 2012 dat [appellant] tijdens het verhoor heeft verklaard dat hij na het nuttigen van drank nog heeft gereden. Gelet op het voorgaande kon het CBR met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat [appellant] onder invloed van een hoger alcoholgehalte als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden. De omstandigheid dat de verbalisanten niet hebben waargenomen dat [appellant] ten tijde van zijn aanhouding op 5 februari 2012 het motorrijtuig bestuurde, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling niet vereist dat een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8 ‰ tijdens het besturen van een motorrijtuig. In het door [appellant] ter zitting naar voren gebrachte dat hij het proces-verbaal van verhoor van 5 februari 2012 niet heeft ondertekend, maakt niet dat niet van de juistheid van dat proces-verbaal mag worden uitgegaan. De Afdeling heeft eerder, onder meer bij uitspraak van 11 april 2012 in zaak nr. 201105936/1/A3, overwogen dat een bestuursorgaan, evenals de rechter, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. De enkele stelling van [appellant] dat niet van de juistheid van het proces-verbaal van 5 februari 2012 mag worden uitgegaan, omdat dit niet is ondertekend, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd37bee08e702ffab2350ee36d001fc3f59147a142ed996f48e96e58e304f6a5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd37bee08e702ffab2350ee36d001fc3f59147a142ed996f48e96e58e304f6a5, en de alinea staat in dat document op bytes 11114 tot 13825.