Citaat | Raad van State 16 juni 2015
Alinea 49 Raad van State 16 juni 2015
Een alinea uit Raad van State 16 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2008.
7.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 oktober 2008 in zaak nr. 200801101/1) is artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag erop gericht te voorkomen dat personen die zich schuldig hebben gemaakt aan zeer ernstige misdrijven in een land, bescherming zullen vinden in een ander land, zoals Nederland. De uitzonderlijke ernst van de misdrijven waarop artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft, alsmede de noodzaak tot het voorkomen en - waar mogelijk - bestraffen van die misdrijven, is ook internationaal- en Unierechtelijk onderkend (zie bijvoorbeeld het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van New York van 10 december 1984 (Trb. 1985, 69), artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 4 van het Handvest, de artikelen 12 en 17 van de richtlijnen 2004/83/EG en 2011/95/EU, en punt 69 tot en met 74 van de ontvankelijkheidsbeslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 november 2014, nrs. 978/09 en 992/09, H. en J. tegen Nederland; www.echr.coe.int). Dit geldt ook voor de Nederlandse wetgeving buiten het vreemdelingenrecht (zie bijvoorbeeld artikel 13 van de Wet Internationale Misdrijven). Voorts voert de Nederlandse staat beleid dat er aanhoudend en uitdrukkelijk op is gericht om vreemdelingen op wie artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, niet in staat te stellen rechtmatig in Nederland te verblijven, nu Nederland voor dergelijke personen geen vluchthaven dient te zijn. Het ontzeggen van dergelijke verblijfsrechten dient voorts ter bescherming van de positie van slachtoffers van misdrijven van personen op wie artikel 1 (F), aanhef en onder a, van toepassing is, en daarmee het belang van de Nederlandse samenleving, naast de internationale rechtsorde (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1997/98, 19 637, nr. 295, blz. 2, Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VI, nr. 160, blz. 2, en Kamerstukken II 2013/14, 19 637, nr. 1883, blz. 12 en 13).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4, en de alinea staat in dat document op bytes 19666 tot 21737.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4 | shasum -a 256