Citaat | Raad van State 16 juni 2015

Alinea 55 Raad van State 16 juni 2015

Een alinea uit Raad van State 16 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2008.

7.6. Vanwege de uitzonderlijke ernst van de misdrijven waarop artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft, vormt de aanwezigheid in Nederland van een vreemdeling van wie in rechte vaststaat dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij één van die zeer ernstige misdrijven heeft begaan, dan ook een rechtstreekse bedreiging voor de Nederlandse rechtsorde en de gemoedsrust van de Nederlandse bevolking (vergelijk de arresten van het Hof van 23 november 2010, C‑145/09, Tsakouridis, punt 40 tot en met 56, ECLI:EU:C:2010:708 en het voornoemde arrest P.I). De weigering van het verblijf in Nederland van een vreemdeling op wie artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, dient dan ook ter bescherming van een fundamenteel belang van de samenleving als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de richtlijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4, en de alinea staat in dat document op bytes 24239 tot 25145.