Citaat | Raad van State 16 juni 2015

Alinea 60 Raad van State 16 juni 2015

Een alinea uit Raad van State 16 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2008.

Het Hof heeft in voornoemd arrest P.I., in punt 30, herhaald dat een inschatting van het toekomstig gedrag van de vreemdeling niet steeds vereist is. Gelet op de aard en ernst van de misdrijven waarop artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft, geldt dit naar het oordeel van de Afdeling temeer in zaken als deze. De aard en ernst van de in artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag beschreven misdrijven, in samenhang bezien met het tijdstip waarop, de plaats waar, en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, verschillen immers wezenlijk van de commune misdrijven waarover het Hof na 27 oktober 1977 rechtspraak heeft ontwikkeld bij de toepassing van richtlijn 64/221/EEG, welke rechtspraak is gecodificeerd in artikel 27, tweede lid, van de richtlijn en daarna door het Hof in de uitleg van dat artikel nader is bevestigd en uitgewerkt. Daarom verschillen de hier aan de orde zijnde misdrijven ook wezenlijk van die waarop de door de vreemdeling in beroep ingeroepen mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de richtlijn (COM(2009) 313 definitief) betrekking heeft.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4, en de alinea staat in dat document op bytes 27406 tot 28662.