Citaat | Raad van State 16 juni 2015

Alinea 61 Raad van State 16 juni 2015

Een alinea uit Raad van State 16 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2008.

7.8. Zoals hiervoor in 4. en 5. is overwogen, heeft de vreemdeling in de door hem in Nederland gevoerde procedures niet aangetoond dat artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag, ten onrechte op hem van toepassing is geacht, en heeft de staatssecretaris hem om die reden terecht verblijf in Nederland onthouden. Bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over de actualiteit van de dreiging die uitgaat van het gedrag van de vreemdeling, kan niet worden aanvaard dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling in een andere lidstaat in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, met zich brengt dat de staatssecretaris opnieuw aannemelijk moet maken dat het verblijf van die vreemdeling in Nederland ongewenst is, noch dat hij bij die vreemdeling, van wie reeds in rechte is komen vast te staan dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag, aannemelijk moet maken dat er een recidivegevaar bestaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea8f3347b0911665ac38eebfddcae8e37db1bf4f9dccbffea619b668bd9a46b4, en de alinea staat in dat document op bytes 28682 tot 29749.