Citaat | Raad van State 23 december 2015

Alinea 30 Raad van State 23 december 2015

Een alinea uit Raad van State 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3916.

4. [persoon] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid tot intrekking van de aan hem verleende vergunning mocht overgaan. Daartoe voert hij aan dat de vertraging te wijten is aan het handelen van het college. Na de eerste aankondiging van het college dat de vergunning zou worden ingetrokken, is hij niet met de bouwwerkzaamheden begonnen, omdat een eventuele definitieve intrekking zou leiden tot niet verhaalbare schade, aldus [persoon]. In dit verband merkt hij verder op dat het college hem niet de gelegenheid heeft geboden om alsnog gebruik te maken van de bouwvergunning dan wel aannemelijk te maken dat hij daarvan gebruik had willen maken. Voorts voert hij aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de omstandigheid dat het realiseren van een tweede bedrijfswoning in strijd zou zijn met het nieuwe bestemmingsplan niet doorslaggevend is, nu hij beschikt over een onherroepelijke vergunning. Bovendien kan het nieuwe bestemmingsplan volgens [persoon] geen rol spelen, nu het college in bezwaar dient te toetsen aan de feiten en omstandigheden zoals deze waren ten tijde van het besluit van 18 juni 2012 en het nieuwe bestemmingsplan eerst nadien is vastgesteld. Ten slotte voert hij aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van het behoud van de bouwvergunning voor de voortzetting van zijn bedrijf.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/463c5beca9947b4f66c5b695e1dcc34c08133592a3e8ef5c521f896e4bee7220. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 463c5beca9947b4f66c5b695e1dcc34c08133592a3e8ef5c521f896e4bee7220, en de alinea staat in dat document op bytes 9377 tot 10777.