Citaat | Raad van State 23 december 2015

Alinea 33 Raad van State 23 december 2015

Een alinea uit Raad van State 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3916.

4.2. De rechtbank heeft omdat [persoon] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de bouwvergunning alsnog binnen korte termijn zal benutten in het in beroep aangevoerde geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik kon maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo de bouwvergunning voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning op het perceel in te trekken. Daarbij is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat van [persoon] niet kon worden verwacht dat hij, nadat het college op 17 november 2010 aan hem het voornemen om de bouwvergunning in te trekken wegens het verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige gegevens, als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, kenbaar had gemaakt, handelingen zou verrichten met gebruikmaking van die vergunning. Door het starten met bouwen of door daartoe concrete voorbereidingshandelingen te treffen kon hij de grondslag waarop het college destijds voornemens was de bouwvergunning in te trekken niet wegnemen. Voorts is van belang dat [persoon] vanaf het moment van intrekking van de bouwvergunning van 10 mei 2010 niet meer beschikte over een bouwtitel. Een bouwtitel voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning op het perceel ontbrak nog steeds nadat de Afdeling in voornoemde uitspraak van 5 februari 2014 het besluit op bezwaar van 27 november 2012 had vernietigd omdat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo de vergunning in te trekken. Naar het oordeel van de Afdeling kon het college onder de gegeven omstandigheden niet alsnog artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo aan het intrekkingsbesluit ten grondslag leggen zonder [persoon] voorafgaande aan het nemen van dat besluit de gelegenheid te bieden zich uit te laten over die intrekkingsgrond en aannemelijk te maken dat hij de bouwvergunning alsnog binnen korte termijn zou benutten. Het door het college naar voren gebrachte, dat tijdens de hoorzitting op 27 september 2012, waar het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 18 juni 2012 is behandeld, artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo aan de orde is gesteld, geeft geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat dat artikel destijds vanwege de persoonlijke omstandigheden van [persoon] niet als intrekkingsgrond aan het besluit van 18 juni 2012 ten grondslag is gelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/463c5beca9947b4f66c5b695e1dcc34c08133592a3e8ef5c521f896e4bee7220. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 463c5beca9947b4f66c5b695e1dcc34c08133592a3e8ef5c521f896e4bee7220, en de alinea staat in dat document op bytes 11775 tot 14236.