Citaat | Raad van State 5 maart 2015

Alinea 31 Raad van State 5 maart 2015

Een alinea uit Raad van State 5 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:785.

Uit het arrest van het EHRM van 10 september 2011, Ullens de Schooten en Rezabek tegen België, nrs. 3989/07 en 3853/07 (hierna: het arrest Ullens de Schooten en Rezabek; www.echr.coe.int), paragraaf 62, kan worden afgeleid dat de rechter op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, ook als deze niet verplicht is een prejudiciële vraag te stellen, de weigering om een zodanige vraag te stellen moet motiveren aan de hand van de toepasselijke normen op grond waarvan van het stellen van een prejudiciële vraag kan worden afgezien. Deze overweging is herhaald in de beslissingen van het EHRM van 10 april 2012, Vergauwen tegen België, nr. 4832/04, paragraaf 90 en van 4 september 2012, Ferreira tegen Portugal, nr. 30123/10 (www.echr.coe.int). Het EHRM heeft in deze zaken vastgesteld dat de rechter aan deze motiveringsplicht heeft voldaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d4c0c3fdd70b1b44298350bd5c15fa81b10ea23d9de22d45616b45900ae81427. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d4c0c3fdd70b1b44298350bd5c15fa81b10ea23d9de22d45616b45900ae81427, en de alinea staat in dat document op bytes 12302 tot 13164.