Citaat | Raad van State 20 januari 2016

Alinea 64 Raad van State 20 januari 2016

Een alinea uit Raad van State 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:108.

13.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit geval de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM een aanvang heeft genomen bij de boetekennisgeving. Dat blijkens het rapport van het verhoor van 10 april 2012 de arbeidsinspecteur voorafgaand aan het verhoor de wettelijk vertegenwoordiger van [appellante] de cautie heeft gegeven, vormt geen aanleiding om dat verhoor als startpunt van de redelijke termijn aan te merken. Uit het rapport van het verhoor valt slechts af te leiden dat de arbeidsinspecteur betrokkene heeft verhoord in het kader van het onderzoek naar een overtreding van de Wav. Een concrete handeling waaraan [appellante] in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat de minister haar een boete zou opleggen, valt daaruit niet af te leiden. Het betoog van [appellante] dat de korting van de boete per overtreding, dus 44 maal moet worden toegepast, vindt geen steun in de onder 13.1 aangehaalde jurisprudentie. Het betoog faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8a10c3146dc1b39164e4a867463d4011a38bc98597e8ecab8c4b401b9ad6e4e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8a10c3146dc1b39164e4a867463d4011a38bc98597e8ecab8c4b401b9ad6e4e, en de alinea staat in dat document op bytes 30362 tot 31352.