Citaat | Raad van State 26 april 2016
Alinea 54 Raad van State 26 april 2016
Een alinea uit Raad van State 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102.
7.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het verzoek van [appellant sub 1B] op grond van de Wob kennelijk zonder redelijk doel is gedaan. Als gemachtigde van [appellant sub 1A] beschikte hij reeds over het door [appellant sub 1A] bij het college ingediende verzoek om informatie. Dat [appellant sub 1B] niettemin om openbaarmaking van dat verzoek heeft gevraagd om te kunnen controleren of mogelijk aantekeningen op het verzoek waren geplaatst, is geen aannemelijke verklaring. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant sub 1B] te kennen gegeven dat hij de brief van het college van 28 januari 2014 zo absurd vond, dat hij zich afvroeg of [appellant sub 1A] - die hem had gevraagd tegen die brief bezwaar te maken - hem wel alle met die brief verband houdende stukken had verstrekt. Daargelaten of deze verklaring aannemelijk is, had [appellant sub 1B] in de bezwaarprocedure namens [appellant sub 1A] op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb om deze stukken kunnen verzoeken. Een Wob-verzoek was daartoe niet noodzakelijk. Het recht van een rechtsbijstandverlener op informatie was dan ook, wat er ook van zij, geenszins in het geding. Gelet op de ruime kennis en ervaring van [appellant sub 1B] op het gebied van het bestuursrecht in het algemeen en de Wob in het bijzonder, moet ervan worden uitgegaan dat hij op de hoogte was van de mogelijkheid om op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb om stukken te verzoeken. Gezien die kennis en ervaring moet er tevens van worden uitgegaan dat hij wist dat een op artikel 7:4, tweede lid, van de Awb gebaseerd informatieverzoek, anders dan een Wob-verzoek, er niet toe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan, in geval van het niet tijdig beslissen op het verzoek, aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Tevens moet er van worden uitgegaan dat hij wist dat ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht de door hem voor zichzelf gemaakte kosten niet, maar de kosten van door een derde - in dit geval Van Gemert - beroepsmatig verleende rechtsbijstand wel voor vergoeding in aanmerking konden komen, zodat hij geen proceskostenvergoeding zou kunnen krijgen indien hij zelf de procedure voerde. Voor het inroepen van een rechtsbijstandverlener vanaf het indienen van het bezwaar is geen andere plausibele verklaring gebleken dan de mogelijkheid om proceskostenvergoedingen te ontvangen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aaa4357c567be478cbfdf31532dff84a9b59fbd358923efb10f027db14093116. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aaa4357c567be478cbfdf31532dff84a9b59fbd358923efb10f027db14093116, en de alinea staat in dat document op bytes 25208 tot 27621.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aaa4357c567be478cbfdf31532dff84a9b59fbd358923efb10f027db14093116 | shasum -a 256