Citaat | Raad van State 1 juni 2016
Alinea 81 Raad van State 1 juni 2016
Een alinea uit Raad van State 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1501.
35. Het ligt op de weg van de aanvrager om feiten te stellen waarop hij zijn aanspraak op een tegemoetkoming baseert, en bij betwisting die feiten aannemelijk te maken, zo volgt uit artikel 18, eerste lid. In zoverre rust de bewijslast bij de aanvrager. Het is evenwel niet redelijk om van een aanvrager te verlangen de gegevens en bescheiden die noodzakelijk zijn voor een controle door de Belastingdienst/Toeslagen of deze aanspraak op een tegemoetkoming bestaat tot in lengte van jaren te bewaren. Dat is ook niet in lijn te brengen met de gedachte achter de door de wetgever in het civiele recht opgenomen verjarings- en vervaltermijnen, zoals neergelegd in de artikelen 3:307-311 van het Burgerlijk Wetboek. Zoals de staatsraad advocaat-generaal in zijn conclusie uiteenzet, moeten burgers en instanties in het algemeen erop bedacht zijn dat men ten minste vijf jaar kan zijn gehouden bewijs te leveren van bepaalde rechtsfeiten en daarbij over relevante gegevens en bescheiden moet kunnen beschikken. De verjarings- en vervaltermijnen strekken er in ieder geval toe te voorkomen dat burgers en instanties worden gedwongen om bewijsmiddelen tot in lengte van jaren te bewaren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d65fee378390df130e6964edcec3c7c1090f82762ddbe098991200a05137cf04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d65fee378390df130e6964edcec3c7c1090f82762ddbe098991200a05137cf04, en de alinea staat in dat document op bytes 30644 tot 31838.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d65fee378390df130e6964edcec3c7c1090f82762ddbe098991200a05137cf04 | shasum -a 256