Citaat | Raad van State 27 januari 2016

Alinea 111 Raad van State 27 januari 2016

Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.

Bij de verjaringstermijnen van de artikelen 3:309, 3:310 en 3:311, verdient het aanvangstijdstip van die termijnen bijzondere aandacht. Zij vangen niet aan op een vast en objectief vast te stellen tijdstip, maar op een tijdstip dat wordt bepaald door de subjectieve wetenschap van de schuldeiser. Zo begint de verjaringstermijn voor een rechtsvordering uit hoofde van onverschuldigde betaling te lopen bij de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309). Een rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310, eerste lid). In elk van de hier bedoelde gevallen geldt, dat de betrokken rechtsvorderingen in elk geval verjaren door verloop van twintig jaren (in bijzondere gevallen dertig jaren; zie artikel 3:310, tweede lid, van het BW) nadat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling of de tekortkoming is ontstaan (artikel 3:309 respectievelijk artikel 3:311, eerste lid) c.q. na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (artikel 3:310, eerste lid).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 89787 tot 91078.