Citaat | Raad van State 27 januari 2016
Alinea 116 Raad van State 27 januari 2016
Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.
Er is geen algemene, civielrechtelijke regeling van vervaltermijnen. Zulke termijnen kan men in verschillende wetten aantreffen. Zo worden in het burgerlijk procesrecht termijnen gesteld waarbinnen, op straffe van verval, rechtsmiddelen moeten worden aangewend: zie bijvoorbeeld de artikelen 143, 339 en 402 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aan het personen- en familierecht ontleen ik het voorbeeld van de vervaltermijn van drie maanden die geldt voor de echtgenoot die gebruik wil maken van het recht om na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap van die gemeenschap afstand te doen (artikel 1:104 BW). Ook het recht zich te beroepen op een vernietigingsgrond ter vernietiging van een rechtshandeling vervalt, indien de partij aan wie deze bevoegdheid toekomt, niet binnen een hem daartoe door een onmiddellijk belanghebbende gestelde redelijke termijn tussen een bevestiging en een vernietiging van de betrokken rechtshandeling heeft gekozen (artikel 3:55, tweede lid, van het BW). Ratio van deze regeling is het voorkomen van rechtsonzekerheid. De vraag hoe lang de te stellen redelijke termijn moet zijn, kan slechts van geval tot geval worden beantwoord. Voor het onderscheid tussen verjarings- en vervaltermijnen is het voorbeeld van artikel 3:55, tweede lid, van het BW ook daarom illustratief, omdat in de genoemde bepaling, naast de vervaltermijn, ook de verjaringstermijn een rol speelt: de mogelijkheid om de tot vernietiging bevoegde partij een redelijke termijn te stellen, geldt eerst na de aanvang van de verjaringstermijn. Zie voor de regeling van die verjaringstermijn artikel 3:52 van het BW: die verjaringstermijn bedraagt drie jaren, kort gezegd nadat de tot vernietiging bevoegde partij heeft ontdekt dat zich een vernietigingsgrond voordoet. Een laatste voorbeeld biedt artikel 4:85 van het BW, dat de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie aan een vervaltermijn onderwerpt. Die mogelijkheid vervalt, als de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. 5.6 Samenvatting en tussenconclusie
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 93393 tot 95626.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72 | shasum -a 256