Citaat | Raad van State 27 januari 2016
Alinea 120 Raad van State 27 januari 2016
Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.
Artikel 4:95, eerste lid, van de Awb biedt meer in het algemeen de mogelijkheid dat een bestuursorgaan, vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom, een voorschot verleent. Een dergelijk voorschot kan volgens het vierde lid van dat artikel worden verrekend met de te betalen geldsom en worden teruggevorderd. De verlening van een voorschot kan worden ingetrokken of gewijzigd, onder meer op grond van het feit dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt of op grond van het feit dat de voorschriften niet zijn nageleefd (artikel 4:96 van de Awb). De Awb bevat géén bepaling waaruit blijkt dat het feit dat een voorschot is verleend, van invloed is op de termijn waarbinnen het bestuursorgaan de verplichting tot betaling waarop het voorschot betrekking heeft, dient vast te stellen. Titel 4.4 van de Awb over bestuursrechtelijke geldschulden bevat in afdeling 4.4.3 een regeling van de verjaring, die in belangrijke mate op de regeling van het BW is geënt. De verjaringstermijn bedraagt vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken (artikel 4:104, eerste lid); in bepaalde gevallen wordt deze termijn verlengd (artikel 4:111). In artikel 5:35 van de Awb is voorzien in een afwijkende (kortere) verjaringstermijn voor de verjaring van de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom van één jaar na de dag waarop de dwangsom is verbeurd. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging; voorts stuit de erkenning van het recht de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent (artikel 4:105). Stuiting door het bestuursorgaan is eveneens mogelijk door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb. Voor de schuldeiser van het bestuursorgaan geeft artikel 4:107 van de Awb een parallelle regeling van stuiting door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin betrokkene zich zijn recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt. Wat de mogelijkheid van verrekening na verjaring betreft, heeft de wetgever van de Awb voor een asymmetrische regeling gekozen, in die zin, dat slechts voor de schuldeiser van het bestuursorgaan geldt dat het recht tot verrekening niet door een verjaring van de rechtsvordering eindigt (vergelijk artikel 4:108 en artikel 4:104, tweede lid). 6.4 Samenvatting en tussenconclusie
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 105366 tot 107727.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72 | shasum -a 256