Citaat | Raad van State 27 januari 2016

Alinea 124 Raad van State 27 januari 2016

Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.

Artikel 21, eerste lid, van de Awir beperkt het aantal gevallen waarin een toegekende tegemoetkoming ten nadele van de aanvrager kan worden herzien. Het is verdedigbaar dat ook die bepaling ontoelaatbaar wordt doorkruist, en wel in die gevallen waarin de Belastingdienst/Toeslagen de beslistermijnen van artikel 19 van de Awir overschrijdt. Toekenning van de tegemoetkoming maakt de aanvrager in de periode tussen die toekenning en het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 21, tweede lid, immers minder vatbaar voor het te zijnen nadele verdisconteren van bepaalde omstandigheden, nu de mogelijkheden van herziening van een reeds toegekende tegemoetkoming ten nadele van de aanvrager zijn beperkt. De door de wetgever beoogde bescherming van de aanvrager wordt, zo zou men kunnen betogen, gefrustreerd, als de Belastingdienst/Toeslagen, door de tegemoetkoming later toe te kennen dan de wetgever in artikel 19 van de Awir voor ogen heeft gestaan, zich het voordeel verschaft dat hij omstandigheden die niet tot een herziening op grond van (artikel 20 en) artikel 21, eerste lid, zouden kunnen leiden, niettemin ten nadele van de aanvrager in diens voorschot of in een (eerste) toekenning van de tegemoetkoming zou kunnen verdisconteren. Een betoog van deze strekking werd echter niet aanvaard in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3703. Daarin overwoog de Afdeling: "2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte niet is overgegaan tot een definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2009. (…) Doordat de Belastingdienst/Toeslagen dit niet heeft gedaan, kan zij zich voor het jaar 2009 niet beroepen op artikel 21, eerste lid, van de Awir, waardoor zij is benadeeld, aldus [appellante]. Ingevolge die bepaling kunnen besluiten tot vaststelling van - in dit geval - kinderopvangtoeslag slechts onder zeer beperkte omstandigheden worden herzien en wordt op die manier rechtsbescherming geboden. Omdat over 2009 de kinderopvangtoeslag niet definitief is vastgesteld, wordt haar deze rechtsbescherming ten onrechte onthouden. (…) 2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 mei 2014 in zaak nr. 201305942/1/A2) is de in artikel 19, eerste lid, van de Awir genoemde termijn een termijn van orde. Gelet op de formulering van artikel 19, tweede lid, van de Awir en de gelijke strekking van het eerste lid, moet de in het tweede lid genoemde termijn eveneens als termijn van orde worden aangemerkt. Overschrijding van de termijn kan deswege niet de consequentie hebben dat de tegemoetkoming moet worden geacht van rechtswege te zijn vastgesteld of dat de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming overeenkomstig het voorschot zou moeten vaststellen. Dat in andere gevallen de kinderopvangtoeslag wel - al dan niet tijdig - is vastgesteld en niet meer met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Awir kon worden herzien, maakt niet dat in dit geval het voorschot over 2009 niet meer mocht worden herzien. De gestelde strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur doet zich niet voor. (…)" 7.4 Artikel 21 bepalend voor de redelijke termijn van artikel 19, vierde lid?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 126676 tot 129919.