Citaat | Raad van State 27 januari 2016

Alinea 125 Raad van State 27 januari 2016

Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.

Hiervoor werd uitgegaan van een mogelijke doorkruising van artikel 21, eerste en tweede lid, van de Awir door een overschrijding van de beslistermijnen van artikel 19 van de Awir respectievelijk doordat eerst na ommekomst van de termijn van artikel 21, tweede lid, een verleend voorschot ten nadele van de aanvrager wordt herzien of de tegemoetkoming op een lager bedrag dan het verleende voorschot wordt toegekend. Er is met betrekking tot de termijn van artikel 21, tweede lid, echter nog een andere benadering mogelijk. De wetgever heeft kennelijk gewild dat een toegekende tegemoetkoming in bepaalde gevallen, waaronder die van artikel 21, eerste lid, van de Awir, nog gedurende enige tijd kan worden herzien. Uit de vaststelling van een vervaltermijn van vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar in het tweede lid van artikel 21 kan worden afgeleid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat bij het verstrijken van die termijn de tegemoetkoming reeds is verleend en meer precies, dat dit laatste reeds enige tijd vóór het verstrijken van die termijn het geval was. Artikel 21 veronderstelt immers een zekere periode, gelegen tussen de toekenning van de tegemoetkoming en het verstrijken van de vervaltermijn, waarbinnen artikel 21, eerste lid, van de Awir kan worden toegepast. Als de wetgever al een uiterste termijn voor de toekenning van de tegemoetkoming op het oog heeft gehad, was dat derhalve een termijn die enige tijd vóór ommekomst van vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar verstrijkt. Dat rechtvaardigt de conclusie dat een termijn, om als een redelijke termijn in de zin van artikel 19, vierde lid, van de Awir, te kunnen gelden, reeds vóór ommekomst van vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar moet zijn verstreken. In zoverre acht ik het begrijpelijk en juist dat in de bestreden uitspraken (en met name die in de zaken [appellant A] en [appellant D]) voor de invulling van de redelijke termijn van artikel 19, vierde lid, bij de termijn van artikel 21, tweede lid, aansluiting is gezocht. 7.5 Nadere bepaling van de redelijke termijn aan de hand van artikel 11 Awr?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 129925 tot 132066.