Citaat | Raad van State 27 januari 2016

Alinea 126 Raad van State 27 januari 2016

Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.

De aan artikel 21, tweede lid, te ontlenen uiterste termijn voor toekenning van de tegemoetkoming kan scherper worden gesteld, als ermee rekening wordt gehouden dat de toegekende tegemoetkoming naar de bedoeling van de wetgever nog gedurende een zekere periode ten nadele van de aanvrager moet kunnen worden herzien, vóórdat de mogelijkheid daartoe ingevolge artikel 21, tweede lid, van de Awir vervalt. Voor een nadere bepaling van die periode zou aansluiting kunnen worden gezocht bij artikel 11 van de Awr, door - naar analogie van hetgeen voor de belastingaanslag geldt - aan te nemen dat de tegemoetkoming uiterlijk drie jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar moet worden toegekend, zodat ten minste twee jaren voor een eventuele toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Awir resteren. Aldus wordt voor de vaststelling en de herziening van de tegemoetkoming ingevolge de Awir een volledige analogie bereikt met hetgeen voor de vaststelling van de aanslag en de navordering geldt. Voor de aanslag en de navordering bedragen de uiterste termijnen drie respectievelijk vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, waarbij moet worden bedacht dat de belastingschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, wordt geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt (artikel 11, vierde lid, en artikel 16, derde lid, van de Awr). Voor de toekenning van de tegemoetkoming en de herziening ingevolge de Awir gelden in de hier gevolgde benadering gelijke uiterste termijnen van drie respectievelijk vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar. Men kan zich nog afvragen of het in de voorgestelde benadering problematisch is dat de uiterste termijnen voor de vaststelling van de aanslag en voor de toekenning van de tegemoetkoming op hetzelfde moment verstrijken. Ik meen dat zulks niet het geval is. Weliswaar zou de gevolgde benadering in theorie ertoe kunnen leiden dat de Belastingdienst/Toeslagen over de toekenning van de tegemoetkoming moet beslissen terwijl de aanslag nog niet (of slechts kort daarvoor) is vastgesteld, maar dat is voor de toekenning van de tegemoetkoming niet prohibitief. Ook zonder aanslag is de toekenning van een tegemoetkoming mogelijk, terwijl in een dergelijk geval de mogelijkheid blijft bestaan om na de vaststelling van de aanslag de toegekende tegemoetkoming op grond van artikel 20 van de Awir te herzien. Tegen een ander startmoment van de hier verdedigde termijn van drie jaren als uiterste redelijke termijn in de zin van artikel 19, vierde lid, van de Awir, zou zich naar mijn mening verzetten dat daardoor de analogie met de Awr zou worden doorbroken en dat met name het moment van de aanslag daarvoor niet aanmerking komt, omdat niet in alle gevallen een aanslag wordt vastgesteld en de aanslag niet als startmoment in aanmerking komt in de in artikel 19, tweede lid, van de Awir bedoelde gevallen. Bij dit alles past ten slotte de kanttekening dat de toekomstbestendigheid van de huidige vervaltermijn van artikel 11, derde lid, van de Awr niet is gegarandeerd. Het thans nog bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met de invoering van herziening bij aanslagen (Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst) bepaalt die termijn op vijftien maanden na de dag van ontvangst van de aangifte. (zie noot 57) Die wijziging staat bovendien niet op zichzelf, maar vormt onderdeel van een geheel nieuw heffingssysteem, waarin onder meer ook de regeling van de navordering ingrijpend zal zijn gewijzigd, in het bijzonder door een vergaande differentiatie van de voor navordering geldende termijnen. (zie noot 58) Het voert te ver nader op het voorgestelde nieuwe heffingssysteem in te gaan of daarop bij de beantwoording van de gestelde vragen te anticiperen. Niettemin zal duidelijk zijn dat het nieuwe heffingssysteem ook zal kunnen raken aan de uiterste redelijke termijn voor de toekenning van een tegemoetkoming ingevolge de Awir. 7.6 De rechtsgevolgen van overschrijding van de (uiterste) redelijke termijn

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 132072 tot 136260.