Citaat | Raad van State 27 januari 2016
Alinea 129 Raad van State 27 januari 2016
Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.
In de Awir is weliswaar voorzien in een verplichting van de aanvrager de Belastingdienst/Toeslagen desverzocht alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de beoordeling van zijn aanspraak van belang kunnen zijn (artikel 17), maar niet in een verplichting van de aanvrager de in dat verband relevante administratieve bescheiden en gegevens gedurende zekere tijd te bewaren. Kennelijk heeft de wetgever het als een eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager beschouwd zijn aanspraak voor zover nodig te adstrueren en de daarvoor noodzakelijke gegevens en bescheiden beschikbaar te houden. Schiet de aanvrager in die eigen verantwoordelijkheid tekort, dan leidt dat ertoe dat de Belastingdienst/Toeslagen ambtshalve zal (moeten) beslissen (artikel 18, vierde lid). Zoals bij de bespreking van de civielrechtelijke verjaringstermijnen aan de orde kwam, strekken die termijnen mede ertoe te voorkomen dat men, met name met het oog op aanspraken van derden die men in het geheel niet kent, zou zijn gedwongen bewijsmaterialen tot in lengte van jaren te bewaren. Vóór ommekomst van die termijnen dient men mogelijk relevante bewijsmaterialen (niet zozeer als rechtsplicht, maar veeleer in het eigen belang) beschikbaar te houden. Daarbij herinner ik eraan dat de belangrijkste civielrechtelijke verjaringstermijnen ten minste vijf jaren bedragen en zelfs tot twintig jaren kunnen oplopen. In het algemeen moet men erop bedacht zijn dat men gedurende een periode van ten minste vijf jaren kan zijn gehouden bewijs te leveren van bepaalde rechtsfeiten en daartoe over de relevante gegevens en bescheiden moet kunnen beschikken. Er is naar mijn mening geen reden daarover anders te oordelen met betrekking tot gegevens en materialen die voor de aanspraak van de aanvrager op een tegemoetkoming ingevolge de Awir van belang zijn. Dat geldt temeer nu de civielrechtelijke verjaringstermijnen niet zijn ingegeven door zorg over de bewijspositie van de schuldeiser, maar door zorg over de bewijspositie van de schuldenaar. De partij die te eniger tijd een geldelijke aanspraak geldend wil maken, zal ervoor moeten zorgdragen dat zij die aanspraak alsdan zo nodig kan bewijzen; zij wordt daarin niet door enige wettelijke termijn tegemoetgekomen. De positie van de aanvrager van een tegemoetkoming is veeleer met die van schuldeiser dan met die van schuldenaar (die mogelijk wel, maar mogelijk ook niet met een bepaalde vordering zal worden geconfronteerd) vergelijkbaar. Dat de Awir de vaststelling van de aanspraak en de betaling daarvan (zij het in de vorm van een voorschot) als het ware heeft omgedraaid, neemt niet weg dat het uiteindelijk aankomt op de vaststelling van een aanspraak van de aanvrager en dat, zolang die vaststelling niet heeft plaatsgevonden, de aanvrager niet ervan mag uitgaan dat de zaak is afgedaan. Naar ook de aanvrager zich bewust moet zijn, is met de verlening van het voorschot zijn aanspraak nog niet vastgesteld en zou het, in verband met die vaststelling die (al dan niet binnen de wettelijke termijnen) zal volgen, nodig kunnen zijn nog over de relevante gegevens en bescheiden te kunnen beschikken. Er is naar mijn mening ook geen grond voor het aanvaarden van de regel dat de bewijslast verschuift als de Belastingdienst/Toeslag niet binnen zekere termijn om informatie heeft gevraagd. Ook in dat geval is de aanspraak nog niet vastgesteld en mag de aanvrager niet erop vertrouwen dat hij zich zonder bezwaar van relevante gegevens en bescheiden kan ontdoen. Het zou echter wel consequenties voor de bewijslast hebben, als wordt aanvaard dat bij overschrijding van de beslistermijnen van artikel 19 van de Awir de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen tot een herziening van het verleende voorschot ten nadele van de aanvrager of de toekenning van de tegemoetkoming tot een lager bedrag dan het verleende voorschot is beperkt tot een overeenkomstige toepassing van artikel 21 van de Awir (zie hiervoor onder 7.3). In dat geval rust de bewijslast met betrekking tot het zich voordoen van een "artikel 21-achtige" situatie op de Belastingdienst/Toeslagen. Met het voorgaande is intussen niet gezegd dat onder omstandigheden (en in het bijzonder in het geval van een niet aan de aanvrager te wijten bewijsnood) een andere bewijslastverdeling zou zijn uitgesloten. Men denke in dit verband ook aan het burgerlijk procesrecht (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), dat als hoofdregel bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, maar als uitzondering daarop aanvaardt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast kan voortvloeien. 7.9 Prospective ruling?
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 149567 tot 154343.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72 | shasum -a 256