Citaat | Raad van State 27 januari 2016

Alinea 130 Raad van State 27 januari 2016

Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.

Voor de volledigheid teken ik ten slotte aan dat, indien de Afdeling bestuursrechtspraak in de onderhavige zaken haar rechtspraak, in het bijzonder met betrekking tot het karakter van de beslistermijnen van artikel 19 van de Awir, zou wijzigen, er om redenen van rechtszekerheid voor enigerlei vorm van prospective ruling of een tot zekere beroepen beperkte toepassing van die wijziging van rechtspraak aanleiding zou kunnen zijn. (zie noot 61) 8. Conclusie Verdedigbaar is, dat artikel 21, tweede lid, van de Awir ontoelaatbaar wordt doorkruist, indien na ommekomst van de in die bepaling vervatte (en niet voor schorsing, verlenging of stuiting vatbare) vervaltermijn een verleend voorschot ten nadele van de aanvrager wordt herzien of de tegemoetkoming wordt toegekend tot een bedrag dat lager is dan het verleende voorschot, anders dan vanwege het alsnog beschikbaar komen of een wijziging van de fiscale gegevens zoals bedoeld in artikel 20 van de Awir. Verdedigbaar (maar door de Afdeling bestuursrechtspraak niet aanvaard) is dat artikel 21, eerste lid, van de Awir ontoelaatbaar wordt doorkruist, indien na ommekomst van de termijn van artikel 19, eerste, tweede of vierde lid, van de Awir een verleend voorschot ten nadele van de aanvrager wordt herzien of de tegemoetkoming wordt toegekend tot een bedrag dat lager is dan het verleende voorschot, anders dan vanwege het alsnog beschikbaar komen of een wijziging van de fiscale gegevens zoals bedoeld in artikel 20 van de Awir en tenzij die herziening of toekenning berust op feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de verlening van het voorschot redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan het voorschot vermoedelijk tot een te hoog bedrag is verleend, dan wel het voorschot tot een te hoog bedrag is verleend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten. Uit artikel 21, tweede lid, van de Awir kan worden afgeleid, dat de "redelijke termijn" zoals bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de Awir, uiterlijk verstrijkt, enige tijd vóórdat vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar zijn verlopen. Naar analogie van de voor de belastingaanslag geldende vervaltermijn van drie jaren na het betrokken belastingjaar (artikel 11, derde lid, van de Awr) zou de uiterste "redelijke termijn" (zonder mogelijkheid van schorsing, verlenging of stuiting) nader kunnen worden bepaald op drie jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar. Daarbij ware wel te bedenken dat de voorgestelde Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst voorziet in een geheel nieuw heffingssysteem, waarin ook andere termijnen dan die van het huidige artikel 11, derde lid, en artikel 16 van de Awr zullen gelden. Aan het verstrijken van de (uiterste) "redelijke termijn" van artikel 19, vierde lid, van de Awir kunnen géén andere rechtsgevolgen zijn verbonden dan aan een overschrijding van de beslistermijnen van artikel 19, eerste en tweede lid, van de Awir, die tot dusverre als termijnen van orde zijn beschouwd. Als aan het verstrijken van de (uiterste) redelijke termijn het rechtsgevolg wordt verbonden dat (behoudens aan artikel 20 en artikel 21 van de Awir te ontlenen uitzonderingen) een verleend voorschot niet meer ten nadele van de aanvrager kan worden herzien of de tegemoetkoming niet meer tot een lager bedrag dan het verleende voorschot kan worden toegekend, zal een dergelijk rechtsgevolg mede voor een overschrijding van de termijnen van artikel 19, eerste en tweede lid, van de Awir moeten gelden. Op de enkele analogie met artikel 11, derde lid, van de Awr kan niet rechtstreeks worden gegrond, dat de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat na ommekomst van drie jaren na het einde van het berekeningsjaar een verleend voorschot ingevolge de Awir ten nadele van de aanvrager wordt herzien of de tegemoetkoming ingevolge de Awir (voor de eerste maal) tot een lager bedrag dan het verleende voorschot wordt toegekend. Het is een eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om de voor de beoordeling van zijn aanspraak relevante gegevens en bescheiden beschikbaar te houden, totdat de tegemoetkoming is toegekend. Een verschuiving van de bewijslast kan niet slechts hierop zijn gebaseerd dat de Belastingdienst/Toeslagen eerst in een laat stadium om (nadere) informatie heeft gevraagd. Dat sluit echter niet uit dat onder omstandigheden (in het bijzonder in het geval dat de aanvrager verkeert in een niet aan hem te wijten bewijsnood) tot een andere dan de gebruikelijke bewijslastverdeling wordt besloten. Overigens geldt bij (overeenkomstige) toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Awir dat de bewijslast met betrekking tot het zich voordoen van feiten en omstandigheden die tot die (overeenkomstige) toepassing aanleiding geven, op de Belastingdienst/Toeslagen rust. mr. L.A.D. Keus Staatsraad Advocaat-Generaal (1) In het dictum van de uitspraak wordt, kennelijk abusievelijk, gesproken van het besluit van 14 juli 2013. (2) In rov. 17 van de bestreden uitspraak wordt van artikel 19, derde lid, van de Awir gesproken. Mogelijk speelt hier een rol dat het huidige vierde lid tot 1 januari 2013 als derde lid was genummerd. Blijkens rov. 11 heeft de rechtbank overigens artikel 19 in zijn sedert 1 januari 2013 geldende versie van toepassing geacht. (3) In rov. 4 van het vonnis spreekt de rechtbank van “een definitieve vaststelling van het voorschot”, maar ik neem aan dat daarmee de vaststelling van de toelage (in termen van artikel 19 van de Awir: de toekenning van de tegemoetkoming) is bedoeld. (4) Memorie van toelichting (Algemeen deel) Awir, Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, p. 2 en 5. (5) Idem, (Algemeen deel) p. 6. Zie ook (Artikelsgewijs), p. 46. Overigens voerde de Belastingdienst/Toeslagen reeds dwanginvorderingen uit met betrekking tot huursubsidie op basis van bepalingen van de Invorderingswet 1990, zulks ten behoeve van het ministerie van VROM. (6) Idem, p. 8. (7) Idem, p. 19. (8) Idem, p. 19. (9) Memorie van toelichting (Artikelsgewijs) Awir, Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, p. 50 en 51. (10) Memorie van toelichting (Artikelsgewijs) Awir, Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, p. 52. (11) Artikel XXII, onderdelen A en B, Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2011), Stb. 2010, 873 (Kamerstukken II 2010/11, 32 505). (12) Artikel XXVI, onderdeel B, van het besluit van 23 december 2010 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen, van enige overige uitvoeringsregelingen en van de Wet op de accijns, Stcrt. 2010, nr. 21111. (13) Stcrt. 2010, 21111, p. 68. (14) Memorie van toelichting (Artikelsgewijs) Awir, Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, p. 49. (15) Zie m.b.t. artikel 19, eerste lid: AbRvS 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1806, rov. 4.1; AbRvS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2441, rov. 5.1; AbRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3703, rov. 2.1; AbRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4506, rov. 5; AbRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:398, rov. 2.1; AbRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:586, rov. 5.1. Zie m.b.t. artikel 19, tweede lid: AbRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3703, rov. 2.1. (16) Zie AbRvS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2441, rov. 5.1; AbRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4506, rov. 5; AbRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:398, rov. 2.1; AbRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:586, rov. 5.1. (17) Zie AbRvS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2441, rov. 5.1; AbRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3703, rov. 2.1. (18) Zie AbRvS 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1806, rov. 4.1; AbRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3703, rov. 2.1; AbRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:398, rov. 2.1; AbRvS 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:586, rov. 5.1. (19) Artikel IX, onderdeel 3, van de Wet van 14 december 2006 houdende wijziging van enkele belastingwetten ter vermindering van administratieve lasten (Wijzigingsplan “Paarse krokodil”), Stb 2006, 681; de betrokken wijziging is geïntroduceerd bij tweede nota van wijziging Wijzigingsplan “Paarse krokodil”, Kamerstukken II 2006/07, 30 577, nr. 8, p. 2. (20) Zie tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 2006/07, 30 577, nr. 8, p. 3-4. (21) Artikel II, onderdeel B, van de Wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Overige fiscale maatregelen 2009 in verband met de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht (Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen), Stb. 2011, 633. (22) Memorie van toelichting Wijziging van Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Overige fiscale maatregelen 2009 in verband met de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht, Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 3, p. 4. (23) Nota van wijziging, Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 7. Deze nota van wijziging bewerkstelligde een wijziging van artikel 12 van de Awir, zodanig, dat paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen, met uitzondering van beschikkingen tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen. De (maximale) dwangsom ingevolge artikel 12 van de Awir bedraagt aanmerkelijk minder dan die van artikel 4:17 van de Awb. (24) Artikel XVII, onderdeel A, van de Wet van 3 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2014), Stb. 2014, 481. (25) Memorie van toelichting Fiscale verzamelwet 2014, Kamerstukken II 2013/14, 33 950, nr. 3, (Algemeen deel) p. 3 en (Artikelsgewijs) p. 17. (26) Kamerstukken II 2013/14, 33 950, nr. 3, (Artikelsgewijs) p. 17. (27) Kamerstukken II 2012/13, 33 714, nr. 2. (28) Zie laatstelijk de nota van wijziging van 30 april 2015, Kamerstukken II 2014/15, 33 714, nr. 7. (29) Wet van 2 juli 1959, Stb. 1959, 301. (30) Memorie van toelichting Awr (artikel 11), Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 15 (l.k.). (31) Artikel IV, onderdeel D, van het wetsvoorstel, inmiddels genaamd Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met de invoering van herziening bij aanslagen (Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst), Kamerstukken II 2012/13, 33 714, nr. 2. Het voorgestelde vierde lid bevat een regeling voor de bepaling van de termijn in het geval uitstel is verleend, analoog aan de tweede volzin van het huidige artikel 11, derde lid, van de Awr. (32) Conclusie van A-G Niessen van 1 maart 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP8929, onder 4.16. (33) A-G Niessen verwijst daarvoor naar M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer, tweede druk, 2007, p. 79 en 80. (34) HR 24 juni 2011, zaak nr. 10/01763, ECLI:NL:HR:2011:BP8929, in het bijzonder rov. 3.3.2-3.3.3. (35) Memorie van toelichting Awr (artikel 16), Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 15 (r.k.). (36) Stb. 2009, 265 (Hoofdstuk 6, artikel 3, onderdeel M). (37) Artikel 28a, tweede lid, onder c. De artikel 28a en 28b van de Wet Lb 1964 zijn per 1 januari 2006 ingevoerd bij de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen, Stb. 2005, 37 (artikel 26, onderdeel J). (38) Artikel 28b, tweede lid, van de Wet Lb 1964. Constateert de inspecteur zelf binnen een termijn van vijf jaar dat een aangifte onjuist of onvolledig is geweest, dan heeft hij eveneens de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wanneer de inhoudingsplichtige heeft verzuimd binnen de daartoe door de inspecteur gestelde termijn een correctiebericht in te dienen. In dat geval bedraagt de termijn één jaar, gerekend vanaf het moment dat het correctiebericht had moeten worden gedaan (artikel 28b, derde lid). Zie over het verschil in lengte van beide vervaltermijnen de memorie van toelichting Invoeringswet Wfsv, Kamerstukken II 2003/04, 29 531, nr. 3, p. 25-26. (39) Memorie van toelichting Invoeringswet Wfsv, Kamerstukken II 2003/04, 29 531, nr. 3, p. 23, waar wordt verwezen naar hoofdstuk 3.7 van de memorie van toelichting Wfsv (Algemeen Deel), Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3. (40) Artikel 38, zevende lid (herziening beschikking premie Werkhervattingskas), artikel 40, twaalfde lid (intrekking beschikking dragen eigen risico) en artikel 97, vierde lid (herziening beschikking aansluiting sector bedrijfs- en beroepsleven). (41) Memorie van toelichting Wfsv, Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3, p. 28 en 29. (42) Met het CDW wordt hier bedoeld Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PbEG 1992, L 302/1-50. Deze verordening is vervangen door Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek), PbEU 2008, L 145/1-64, welke verordening de bedoelde termijnen (in artikel 68) op respectievelijk tien en drie jaren stelt. Laatstgenoemde verordening is op haar beurt vervangen door Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, PbEU 2013, L 269/1-101, welke verordening de bedoelde termijnen (in artikel 103) respectievelijk op minimaal vijf en maximaal tien en drie jaren stelt. Zie over artikel 7:7 van de Algemene douanewet ook de memorie van toelichting (Artikelsgewijs), Kamerstukken II 2005/06, 30 580, nr. 3, p. 129. (43) Artikelen 9:1- 9:5 van de Algemene douanewet. (44) Brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer inzake de Belastingdienst van 18 december 2014, Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 226. (45) Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/432, waar overigens melding wordt gemaakt van in Frankrijk en Duitsland geldende vervaltermijnen van dertig jaren. (46) Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/380a; zie voor een voorbeeld uit de rechtspraak HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1516, NJ 1996/485, m.nt. WMK. (47) Zie, meer uitgebreid, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/381-386. (48) P.J.J. van Buuren e.a. (red.), Algemene wet bestuursrecht, Tekst & Commentaar (8e druk), Deventer: Kluwer 2013, p. 218. (49) Idem, blz. 222. (50) Idem, blz. 222. (51) E.J. Daalder en G.R.J. de Groot, Parlementaire geschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht Eerste Tranche, Alphen a/d Rijn: Samson H.D. Tjeenk Willink 1993, p. 263. (52) E.J. Daalder en G.R.J. de Groot, Parlementaire geschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht Eerste Tranche, Alphen a/d Rijn: Samson H.D. Tjeenk Willink 1993, p. 264. Zie voor rechtspraak hierover HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040, NJ 2011/6 m.nt. M.R. Mok; HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, NJ 2013/47. (53) AbRvS 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7011, AB 2011/92 m.nt. F. Onrust, rov. 2.6.1; AbRvS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6170, AB 2011/94 m.nt. F. Onrust, rov. 2.7.1. (54) HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040, NJ 2011/6 m.nt. M.R. Mok, rov. 3.4.2; HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, NJ 2013/47, rov. 3.3. (55) Zie onder meer AbRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:398, rov. 2.1. Deze jurisprudentie is consistent met de hiervóór (onder 6.2) besproken jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak over de gevolgen van het niet tijdig beslissen op een aanvraag, strekkende tot vaststelling van de subsidie. Aan een niet tijdig beslissen op een dergelijke aanvraag kan volgens die jurisprudentie niet het vertrouwen worden ontleend dat de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening zal worden vastgesteld; zolang de subsidie niet is vastgesteld heeft de subsidieaanvrager ermee rekening te houden dat de subsidie lager kan worden vastgesteld. Zie AbRvS 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7011, AB 2011/92 m.nt. F. Onrust, rov. 2.6.1; AbRvS 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6170, AB 2011/94 m.nt. F. Onrust, rov. 2.7.1. (56) Zie de toelichting op artikel XXVI, onderdeel B, van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 23 december 2010 (Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen, van enige overige uitvoeringsregelingen en van de Wet op de accijns), Stcrt. nr. 21111, p. 68. (57) Zie artikel VI, onderdeel B, van het Voorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met de invoering van herziening bij aanslagen en een regeling voor het elektronisch berichtenverkeer (Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst), Kamerstukken II 2012/13, 33 714, nr. 2. Uit het opschrift zijn de woorden “en een regeling voor het elektronisch berichtenverkeer” inmiddels vervallen; zie Kamerstukken II 2014/15, 33 714, nr. 7, onder 1. (58) Zie artikel VI, onderdelen F en G. (59) E.J. Daalder en G.R.J. de Groot, Parlementaire geschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht Eerste Tranche, Alphen a/d Rijn: Samson H.D. Tjeenk Willink 1993, p. 263. (60) Memorie van toelichting Wijziging van Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Overige fiscale maatregelen 2009 in verband met de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht, Kamerstukken II 2011/12, 33 005, nr. 3, p. 4. (61) Zie voor een voorbeeld van prospective ruling AbRvS 15 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8617, en van een tot zekere beroepen beperkte toepassing AbRvS 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7155.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 154349 tot 171639.