Citaat | Raad van State 27 januari 2016

Alinea 16 Raad van State 27 januari 2016

Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.

De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat, nu de Belastingdienst/Toeslagen geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 19, vierde lid, van de Awir (zie noot 2), hij was gehouden de kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2007 binnen de termijn van artikel 19, eerste lid, van de Awir (en derhalve uiterlijk op 31 december 2008) definitief toe te kennen. Volgens de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die het voor de Belastingdienst/Toeslagen onmogelijk hebben gemaakt binnen de wettelijke termijn tot een definitieve toekenning te komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever met de artikelen 19, 20 en 21 van de Awir beoogd de aanvrager van een toeslag zekerheid te bieden binnen welk tijdsbeslag voorschotten, dan wel reeds toegekende toeslagen kunnen worden herzien. Daarbij geldt volgens de rechtbank als uitgangspunt dat, indien de situatie van artikel 20 van de Awir zich niet voordoet, de toeslag binnen de in artikel 19 van de Awir gestelde termijnen definitief wordt vastgesteld en vervolgens binnen de in artikel 21 gestelde termijn onder voorwaarden nog ten nadele van de aanvrager kan worden herzien. Voor de invulling van het begrip "redelijke termijn" van artikel 19, vierde lid, heeft de rechtbank aangeknoopt bij artikel 21, waarin van een termijn van vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar wordt gesproken. Volgens de rechtbank sluit deze termijn ook aan bij andere termijnen in het belastingrecht en het algemeen bestuursrecht. In het geval van [appellant A] is deze termijn geëindigd op 31 december 2012. Door zonder enige aanwijsbare reden vijf jaar te laten verstrijken alvorens in december 2013 om aanvulling van de gegevens te vragen en door vervolgens de definitieve toeslag op nihil te stellen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld. De bewijsnood die [appellant A] heeft aangevoerd, is mede hiervan het gevolg. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het de Belastingdienst/Toeslagen onder deze omstandigheden niet langer vrijstond de definitieve toeslag in 2014 op nihil te stellen en het gehele over 2007 verstrekte voorschot van [appellant A] terug te vorderen. Volgens de rechtbank doet hieraan niet af dat [appellant A] de Belastingdienst/Toeslagen in gebreke had kunnen stellen en vanaf 2013 een dwangsom had kunnen laten vaststellen. De rechtbank heeft de besluiten van 1 en 11 maart 2014 herroepen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 12242 tot 14745.