Citaat | Raad van State 27 januari 2016

Alinea 77 Raad van State 27 januari 2016

Een alinea uit Raad van State 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.

Sinds haar inwerkingtreding is de bepaling ongewijzigd gebleven. Zij vindt haar oorsprong in eerdere regelgeving, in het bijzonder artikel 12 van het Besluit op de Winstbelasting 1940. Met de bepaling werd beoogd de belastingplichtigen een waarborg te bieden dat zij binnen een redelijke termijn hun belastingafrekening zouden ontvangen, alsmede de omvangrijke jurisprudentie over de vraag tot hoelang een primaire aanslag kan worden opgelegd, in te dammen: "Het derde lid is opgenomen in navolging van een soortgelijke bepaling welke voorkwam in het vervallen derde lid van artikel 12 van het Besluit op de Winstbelasting 1940. Het zal in de eerste plaats voor de belastingplichtigen een waarborg opleveren, dat zij binnen een redelijke termijn hun belastingafrekening ontvangen. Voorts zal het voor het vervolg geschillen uitsluiten nopens de vraag tot hoelang een primitieve aanslag kan worden opgelegd, welke vraag, in verband met de bepalingen betreffende de bevoegdheid tot navorderen, onder de bestaande wetgeving tot een vrij omvangrijke jurisprudentie aanleiding heeft gegeven." (zie noot 30) Overigens voorziet het hiervoor (onder 3.2) al genoemde en nog bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst in een verkorting van de in artikel 11, derde lid, van de Awr genoemde termijn tot vijftien maanden na de dag van ontvangst van de aangifte. De bepaling zal na de voorgestelde wijziging als volgt luiden: "3. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van 15 maanden na de dag van ontvangst van de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, onderscheidenlijk met betrekking tot het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien de aangifte voor de inkomstenbelasting is ontvangen vóór 1 april van het kalenderjaar volgend op het tijdvak waarop die aangifte betrekking heeft, vangt de in de eerste volzin genoemde termijn aan op 1 april van dat kalenderjaar." (zie noot 31) Met betrekking tot de huidige termijn van drie jaren voor het opleggen van de aanslag is nog vermeldenswaard dat A-G Niessen in een conclusie van 1 maart 2011 (zie noot 32) heeft gewezen op het standpunt van Feteris (zie noot 33) dat de Awr maximumtermijnen kent, maar dat die op zichzelf niet rechtvaardigen dat de inspecteur daarvan ten volle gebruik maakt, omdat op grond van ongeschreven recht moet worden aangenomen dat de aanslag binnen een redelijke termijn moet worden opgelegd. De Hoge Raad heeft dit standpunt echter niet gevolgd. (zie noot 34) - Vaststelling navorderingsaanslag

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba1380742082f667a98a34a72dd8f873153d05d3516d87d991f30b0200479b72, en de alinea staat in dat document op bytes 67007 tot 69615.