Citaat | Raad van State 29 juni 2016

Alinea 47 Raad van State 29 juni 2016

Een alinea uit Raad van State 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1803.

4. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar beroepsgrond heeft verworpen dat de mogelijkheid die artikel 18b, derde lid, van de Wmm de minister biedt om iemand op grond van een vermoeden als werkgever aan te merken, in strijd is met artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het in strijd is met die bepaling om iemand op grond van vermoedens als schuldig aan te merken. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BN6324) wijst zij erop dat de last een overtreding te bewijzen bij het bestuursorgaan ligt. Voorts wijst zij op een passage uit een advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 24 maart 2011 (Kamerstukken II, 2010-11, 32 896, nr. 4, p. 3) over het destijds voorgestelde artikel 18b, derde lid, waarin de Afdeling advisering heeft geconcludeerd dat die voorgestelde bepaling zich niet met artikel 6, tweede lid, van het EVRM, verdraagt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d50ed9fab5deb0a38f890b1d8f61d922bb46754d95019888d81f6005e7271cd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d50ed9fab5deb0a38f890b1d8f61d922bb46754d95019888d81f6005e7271cd, en de alinea staat in dat document op bytes 15037 tot 16117.