Citaat | Raad van State 29 juni 2016

Alinea 59 Raad van State 29 juni 2016

Een alinea uit Raad van State 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1803.

5.4. De rechtbank behoefde de ten aanzien van [werknemer C] en [werknemer D] opgelegde boetes niet te matigen. Ook als juist is dat de verklaringen van [werknemer E] over de arbeidsduur van [werknemer C] en [werknemer D] sterk afwijken van hun eigen verklaringen, betekent dit, in het licht van de door de minister ter zitting van de rechtbank gegeven toelichting, niet dat de rechtbank de verklaringen van [werknemer E] ten onrechte in haar oordeel heeft betrokken. De rechtbank behoefde derhalve niet van de eigen verklaringen van [werknemer C] en [werknemer D] uit te gaan. De rechtbank heeft de matiging van de ten aanzien van [werknemer A] opgelegde boete tot € 9.000,00 gebaseerd op overeenstemming van de eigen verklaring van [werknemer A] en de verklaring van [werknemer E], voor zover die verklaringen erop neerkomen dat [werknemer A] minder dan zes maar meer dan drie maanden arbeid heeft verricht. Dit bedrag is overeenkomstig artikel 1, derde lid, van de Beleidsregel Wmm 2013. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor een verdergaande matiging van deze boete.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d50ed9fab5deb0a38f890b1d8f61d922bb46754d95019888d81f6005e7271cd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d50ed9fab5deb0a38f890b1d8f61d922bb46754d95019888d81f6005e7271cd, en de alinea staat in dat document op bytes 22622 tot 23718.