Citaat | Raad van State 20 juli 2016

Onder 5.16 Raad van State 20 juli 2016

Een alinea uit Raad van State 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2040.

Voorop kan worden gesteld - dat blijkt uit artikel 3.106b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, maar is ook los daarvan logisch - dat de vreemdeling niet kan volstaan met de blote stelling dat het land voor hem onveilig is. Hij zal deze stelling 'aannemelijk' moeten maken. Conceptueel is zijn bewijslast aldus dezelfde als die in het overige vreemdelingenrecht (en in het algemeen bestuursrecht). In de praktijk ligt die bewijslast echter wel hoger om de eenvoudige reden dat het land door de staatssecretaris is aangemerkt als veilig land en dus het rechtsvermoeden geldt dat het land in algemene zin veilig is - ook, zoals ik al opmerkte in hoofdstuk 4, voor minderheidsgroepen van een zekere omvang. Wil de vreemdeling vervolgens aannemelijk maken dat die presumptie in zijn specifieke omstandigheden niet geldt, dan zal hij die stelling in de praktijk moeten onderbouwen met substantiële redenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ef13ad84cf21c3e431834c2a43dec95e99cbe82b98762cb91b4ab65b0a89bf42. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ef13ad84cf21c3e431834c2a43dec95e99cbe82b98762cb91b4ab65b0a89bf42, en de alinea staat in dat document op bytes 169434 tot 170360.