Citaat | Raad van State 20 juli 2016
Onder 6 Raad van State 20 juli 2016
Een alinea uit Raad van State 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2040.
(1) Zie p. 5-7 en p. 24 van het rapport van nader gehoor dat ziet op vreemdeling 1 en p. 4-7 en p. 20 van het rapport van nader gehoor dat ziet op vreemdeling 2. (2) Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), Pb. 2013 L 180. (3) Zie p. 2-5 van de onderscheiden voornemens en p. 2-4 van de onderscheiden besluiten. (4) Zie het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU (COM(2015) 452). (5) Voor de inzichtelijkheid van de beantwoording heb ik de vragen voorzien van subnummers. (6) De Europese Raad besloot tijdens zijn bijeenkomst in Tampere in 1999 te streven naar de invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel, dat stoelt op een volledige en niet‑restrictieve toepassing van het Vluchtelingenverdrag en het Protocol. Zie uitgebreid hierover: H. Battjes, European Asylum Law and International Law (diss. VU), Leiden/Boston: Martinus Nijhoff Publishers 2006, p. 25-57 en p. 195-217. (7) Het Vluchtelingenverdrag was in eerste instantie voornamelijk bedoeld om de grote vluchtelingenstromen na de Tweede Wereldoorlog in goede banen te leiden. Daarom was de werkingssfeer van het verdrag oorspronkelijk ook beperkt tot gebeurtenissen die vóór 1 januari 1951 hadden plaatsgevonden. Verder bood het verdrag de verdragsluitende staten de mogelijkheid de werking ervan te beperken tot gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden in Europa of in Europa of elders. Zie hierover nader: T.P. Spijkerboer en B.P. Vermeulen, Vluchtelingenrecht , Nijmegen: Ars Aequi Libri 2005 (hierna: Spijkerboer/Vermeulen 2005), p. 5-10. Sinds de inwerkingtreding van het Protocol van 1967 is de datumgrens vervallen voor staten die partij zijn bij dat Protocol (artikel I, tweede lid) en geldt als uitgangspunt dat verdragspartijen geen geografische beperking toepassen (artikel I, derde lid). Turkije heeft de geografische beperking die de toepassing van het Vluchtelingenverdrag beperkt tot gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in Europa niet opgeheven. Zie ook: Office of the United Nations High Commissioner for Refugees, Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol related to the status of refugees , Geneva 1979 (hierna: UNHCR Handbook), par. 32-33, en J.C. Hathaway, The Rights of Refugees under International Law , Cambridge: Cambridge University Press 2005 (hierna: Hathaway 2005), p. 91-93, p. 95-98 en p. 110‑112. (8) Zie hierover nader: UNHCR Handbook, par. 32-110. (9) Kort gezegd: (D) personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR, (E) een persoon die in het land waarin hij is gevestigd de rechten en verplichtingen heeft die aan de nationaliteit van het land zijn verbonden en (F) een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een misdrijf tegen de vrede, oorlogsmisdrijven of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan. (10) Zie hierover wat betreft de exclusion clauses in het unierecht: artikelen 12 en 17 van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking), Pb. 2011 L 337 (hierna: de Kwalificatierichtlijn), en het rapport van de European Asylum Support Office, Exclusion: Articles 12 and 17 Qualification Directive (2011/95/EU) A Judicial Analysis, januari 2016. (11) UNHCR Handbook, par. 111-117. (12) Th. Holterman, Vreemdelingenrecht: toelating en verblijf van vreemdelingen in Nederland , Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 169, omschrijft 'veilig land van herkomst' als een land waaruit op grond van objectiveerbare en verifieerbare gegevens geen vluchtelingen kúnnen komen. (13) Zie bijvoorbeeld: Hathaway 2005, p. 293-300, en S. Da Lomba, The Right to seek Refugee Status in the European Union , Antwerpen-Oxford-New York: Intersentia 2004, p. 148-152, G.S. Goodwill en J. McAdam, The Refugee in International Law , Oxford: Oxford University Press 2007, p. 350-396, en W. Kälin, M. Caroni en L. Heim, 'Article 22, para. 1 (Prohibition of Expulsion or Return (' Refoulement' )/Défense d'Expulsion et de Refoulement', in: A. Zimmerman e.a. (red.), The 1951 Convention relating to the Status of Refugees and its 1967 Protocol . A Commentary , Oxford: Oxford University Press 2011, p. 1382-1387. (14) UNHCR, 'Improving Asylum Procedures, Comparative analysis and recommendations for law and practice', maart 2010, p. 65-66 (www.unhcr.org). (15) Hathaway 2005, p. 293-297. (16) Hathaway 2005, p. 300-370. Zie ook: R. Fernhout, Erkenning en toelating als vluchteling in Nederland , Deventer 1990, p. 149, en K. Zwaan, Veilig derde land, De exceptie van het veilig derde land in het Nederlandse asielrecht , Nijmegen 2003 (hierna: Zwaan 2003), p. 19 e.v. (17) Zwaan 2003, p. 30. Voorbeelden van overdracht zonder statusbepaling zijn de Dublinverordening en de regeling die bestaat tussen de Verenigde Staten en Canada. Zie: Hathaway 2005, p. 293-294. (18) UN Committee Against Torture, General Comment No. 1: Implementation of Article 3 of the Convention in the Context of Article 22 (Refoulement and Communications) , 21 november 1997, A/53/44, annex IX, http://www.refworld.org/docid/453882365.html: 'The Committee is of the view that the phrase "another State" in article 3 refers to the State to which the individual concerned is being expelled, returned or extradited, as well as to any State to which the author may subsequently be expelled, returned or extradited.' (19) Hierover ook: P. Boeles, 'Is het verbod van refoulement nog absoluut', Journaal Vreemdelingenrecht , 2016, nr. 2, p. 63-69. (20) Zie in vergelijkbare zin artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR). Het IVBPR speelt een beperktere rol dan het EVRM vanwege het verschil in toezichtmechanismen: het EHRM, dat als internationale rechter toeziet op de naleving van het EVRM versus het Human Rights Committee , dat geen bindende uitspraken doet. Zie: Spijkerboer/Vermeulen 2005, p. 67-68. (21) Zie over vluchtelingschap en artikel 3 van het EVRM: B.P. Vermeulen, 'Freedom from torture and other inhumane or degrading treatment or punishment (Article 3)' in: P. van Dijk e.a., Theory and Practice of the European Convention on Human Rights , Antwerpen/Oxford: Intersentia 2006, (hierna: Vermeulen 2006), p. 433‑439. (22) Voor het eerst in EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88 (Soering tegen het Verenigd Koninkrijk). (23) Par. 91. (24) Aldus: Vermeulen 2006, p. 438. Zie: ABRvS 30 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2875. (25) Spijkerboer/Vermeulen 2005, p. 94. (26) Zie voor de overige verschillen tussen en de onderlinge verhouding van de refoulementverboden : Spijkerboer/Vermeulen 2005, p. 88-91. (27) Zie ook: Vermeulen 2006, p. 438-439. (28) Toelichtingen bij het Handvest, Pb. 2007 C 303/02. (29) EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88 (Soering tegen het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 17 december 1996, nr. 25964/94 (Ahmed tegen Oostenrijk), par. 39-41. (30) HvJ EU 21 december 2011, gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10, ECLI:EU:C:2011:865 (N.S.), punt 106. (31) E. Guild, 'Art 19 – Protection in the Event of Removal', in: S. Peers e.a. (eds.), The EU Charter of Fundamental Rights, A Commentary , C.H. Beck/Hart/Nomos, 2014 (hierna: Guild 2014), par. 19.05. (32) Dat een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden in aanmerking kan worden genomen of ontvankelijk kan worden verklaard, is dan ook niet in strijd met artikel 18 van het Handvest. (33) Guild 2014, par. 19.05. (34) Zie artikel 78, tweede lid, aanhef en onder a, b, d, en e, van het VWEU. (35) Ook passeert hier en daar de revue de Dublinverordening, Verordening (EU) nr. 604/2013, van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking), Pb. 2013 L 180. Omdat deze als zodanig voor de conclusie niet van belang is, ga ik daarop niet nader in. (36) Punt 4 van de considerans. (37) Punt 12 van de considerans en artikel 1. (38) Artikel 2. (39) Artikel 12, eerste lid, beschrijft de exclusion clauses van de artikelen 1(D) en 1(E) van het Vluchtelingenverdrag. In vergelijking met de exclusion clause van artikel 1(F) is de uitsluiting in artikel 12, tweede en derde lid, anders geformuleerd. Het beoogt niet de reikwijdte van artikel 1(F) te vergroten, maar slechts te expliciteren dat ook van de vluchtelingenstatus worden uitgesloten personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de in het tweede lid genoemde misdrijven of daden. Zie I. Kraft, 'Asylum Qualification Directive 2011/95/EU', in: K. Hailbronner en D. Thym (eds.), EU Immigration and Asylum Law , Commentary, 2nd edition, C.H. Beck/Hart/Nomos, 2016, Artikel 12, punten 7 en 65. (40) Zie voor de uitsluiting van subsidiaire bescherming artikel 17 van de Kwalificatierichtlijn. (41) Zie voor de beëindiging van de subsidiaire bescherming artikel 16 van de Kwalificatierichtlijn. (42) Artikel 11, tweede lid. (43) HvJ EU 2 maart 2010, gevoegde zaken C-175/08 t/m C-179/08, ECLI:EU:C:2010:105 (Abdulla e.a. tegen Bundesrepublik Deutschland). (44) Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, Pb. 2004 L 304. Het eerste en tweede lid van artikel 11 zijn met de herschikking niet gewijzigd. Er is een derde lid aan het artikel toegevoegd, waarin staat dat het eerste lid, aanhef en onder e en f, niet van toepassing zijn op een vluchteling die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, in te roepen. Hiermee is de tweede zin van artikel 1(C), aanhef en onder 5 en 6, van het Vluchtelingenverdrag in de Kwalificatierichtlijn overgenomen. Voor de uitleg van het Hof aan artikel 11 is deze toevoeging irrelevant. (45) Punt 76. (46) Punten 91 en 100. (47) Artikel 4, tweede lid. (48) Artikel 4, eerste lid. (49) HvJ EU 22 november 2012, zaak C-277/11, ECLI:EU:C:2012:744 (M.M.). (50) Punten 66 en 68. (51) EHRM 11 januari 2007, nr. 1948/05 (Salah Sheekh tegen Nederland), par. 141, en EHRM 28 juni 2011, nrs. 8319/07 en 11449/07 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), par. 266. (52) Artikel 8, tweede lid. (53) UNHCR, Guidelines on International Protection , nr. 4, 23 juli 2003, par. 33-35. (54) Artikel 20, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn. (55) Punten 11 en 12 van de considerans en artikel 1. (56) Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus, Pb. 2005 L 326. (57) Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming, COM(2009) 554, p. 2 en 7. (58) Artikelen 35-39, hoofdstuk III, afdeling III, van de Procedurerichtlijn. Als 'derde land' worden alle niet‑lidstaten van de unie beschouwd, en de landen die behoren tot de EER. (59) Zie reeds de conclusie van Staatsraad Advocaat-Generaal mr. L.A.D. Keus van 12 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1882, p. 20-21. (60) J. Vedsted-Hansen, 'Asylum Procedures Directive 2013/32/EU', in: K. Hailbronner en D. Thym (eds.), EU Immigration and Asylum Law , Commentary, 2nd edition, C.H. Beck/Hart/Nomos, 2016 (hierna: Vedsted-Hansen 2016), Artikel 35, punt 3. (61) Artikel 37, eerste lid. (62) Artikel 37, tweede lid. (63) Artikel 37, derde lid. (64) Artikel 36, eerste lid. (65) HvJ EG 6 mei 2008, zaak C-133/06, ECLI:EU:C:2008:257 (Europees Parlement tegen de Raad van de Europese Unie). (66) Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU (COM(2015) 452). (67) Zie voor de laatste stand van zaken inzake het voorstel voor de Verordening: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/HIS/?uri=CELEX:52015PC0452&qid=1464245266021. (68) Vedsted‑Hansen 2016, Artikel 38, punt 3. (69) Vedsted-Hansen 2016, Artikel 38, punt 2. (70) Artikel 38, tweede lid. (71) Artikel 39, eerste lid. (72) Artikel 39, tweede lid. (73) Vedsted-Hansen 2016, Artikel 39, punt 3. (74) Kamerstukken II, 2006/2007, 30 976, nr. 3, p. 9-14. (75) Kamerstukken II, 2014/2015, 34 088, nr. 3, p. 5. (76) Kamerstukken II, 2014/2015, 34 088, nr. 3, p. 9 en 29. (77) Zie de Wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Procedurerichtlijn en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming ( Pb. 2013 L 96; hierna: de Opvangrichtlijn) ( Stb . 2015, 292), het Besluit van 10 juli 2015, houdende wijziging van het Vb 2000 en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de implementatie van de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn ( Stb . 2015, 294), de Regeling van de staatssecretaris van 13 juli 2015, nummer 666060, houdende wijziging van het VV 2000 ( Stcrt . 2015, 20705), en het Besluit van de staatssecretaris van 13 juli 2015, nummer WBV 2015/9, houdende wijziging van de Vc 2000 ( Stcrt . 2015, 20854). (78) Stb . 2015, 294, p. 32. (79) Kamerstukken II, 2014/2015, 34 088, nr. 3, p. 15. Met 'afkomstig' wordt hier en hierna, in aansluiting op de artikelen 36, eerste lid, van de Procedurerichtlijn en 3.106b, eerste lid, van het Vb 2000, bedoeld dat de vreemdeling de nationaliteit van het desbetreffende land heeft dan wel, wanneer hij staatloos is, voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had. (80) Kamerstukken II, 2014/2015, 34 088, nr. 3, p. 15. (81) Artikel 3.105ba, eerste lid. (82) Artikel 3.105ba, tweede lid. (83) Artikel 3.105ba, derde lid. (84) De bijlage is ingevoegd bij de Regeling van de staatssecretaris van 10 november 2015, nummer 695431, houdende wijziging van het VV 2000 ( Stcrt . 2015, 40568). De bijlage is gewijzigd bij de Regeling van de staatssecretaris van 10 februari 2016, nummer 732095, houdende wijziging van het VV 2000 ( Stcrt . 2016, 8083). (85) Kamerstukken II, 2015/2016, 19 637, nrs. 2076 en 2123. (86) Kamerstukken II, 2014/2015, 34 088, nr. 3, p. 15. (87) Kamerstukken II, 2014/2015, 34 088, nr. 3, p. 10‑11. (88) Artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. (89) Kamerstukken II, 2014/2015, 34 088, nr. 3, p. 48. (90) Vedsted-Hansen 2016, Artikel 39, punt 3. (90) De staatssecretaris sluit niet uit dat hij in de toekomst een lijst van veilige derde landen zal opstellen (pleitnota p. 7). Anders dan voor veilige landen van herkomst voorziet de Procedurerichtlijn niet uitdrukkelijk in deze mogelijkheid. Dat de richtlijn dit ook niet uitsluit, is af te leiden uit artikel 38, tweede lid, aanhef en onder b. Daarin staat dat de toepassing van het begrip 'veilig derde land' is onderworpen aan voorschriften van het nationale recht, waaronder voorschriften over de methode met behulp waarvan kan worden bezien of het begrip op een bepaald land en een bepaalde verzoeker kan worden toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig. (92) Pleitnota p. 5. De staatssecretaris bracht tevens naar voren dat er op het departement over nagedacht wordt of het niet beter is de categorie 'personen met verhoogde aandacht' als afzonderlijke categorie te schrappen, omdat het eerder tot verwarring dan tot meer duidelijkheid leidt. (93) De 'verhoogde aandacht' geldt voor Ghana, India, Jamaica, Marokko en Senegal. Voor de laatste twee landen geldt ook de uitzondering voor LHBTI. Zie de brief van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 9 februari 2016 en bijlage 1 bij die brief (Kamerstukken II, 2015/2016, 19 637, nr. 2123). (94) Pleitnota p. 5. Zie ook: ABRvS 24 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4062. (95) Ter zitting bij de Afdeling wees de staatssecretaris op de hypothetische mogelijkheid om bij het aanmerken van Oekraïne als veilig land van herkomst voor Oost-Oekraïne een beperking aan te brengen. (96) Meijers Committee, Note on an EU list of safe countries of origin, Recommendations and amendments , CM 1515, 5 oktober 2015, p. 3 (www.commissie-meijers.nl). (97) Zo ook: H. Battjes, 'Veilige landen van herkomst. Verzwaring van de bewijslast?', A&MR 2016, nr. 6&7, (hierna: Battjes 2016), p. 275-284. Dit artikel ligt aan de basis van de notitie 'Concept van veilig land van herkomst', van de Commissie Strategisch Procederen van VluchtelingenWerk Nederland, dat in hoger beroep door de advocaat van de vreemdelingen is ingebracht. Zie verder: het Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU (COM(2015) 452) (2016/C 071/13), Pb. 2016 C 71. (98) Supreme Court of the United Kingdom , 4 maart 2015, R (on the application of Jamar Brown (Jamaica)) (Respondent) v Secretary of State for the Home Department (Appellant), UKSC [2015] 8, (www.supremecourt.uk). (99) In de Act worden verschillende soorten claims onderscheiden. Gemakshalve ga ik uit van 'claim'. (100) Het House of Lords heeft in de zaak Thangarasa and Yogathas [2002] UKHL 36, par. 32‑34 ( www.publications.parliament.uk) handvatten gegeven over wat moet worden verstaan onder clearly unfounded . Verdere richting is gegeven door het Court of Appeal in de zaak ZL and VL v SSHD [2003] EWCA Civ 25, par. 56-57 (www.bailii.org). Zie ook: AIDA, 'Accelerated procedure' , november 2015 (www.asylumineurope.org). (101) In de Act staat: entitled to reside . Daaronder wordt verstaan: citizens, dual nationals and non-citizens who are normally resident in the state with a legal basis for residing there (zie: Home Office, 'Certification of Protection and Human Rights claims under section 94 of the Nationality, Immigration and Asylum Act 2002 (clearly unfounded claims)', www.gov.uk). Dit komt in wezen overeen met artikel 36, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, waarin staat dat een land alleen als veilig land van herkomst kan worden beschouwd als de verzoeker de nationaliteit van dat land heeft, of, als hij staatloos is, voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had. (102) Een vergelijkbaar systeem kent het voorstel voor een Verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst. Als een land op die lijst is opgenomen, kunnen lidstaten daarin aanleiding zien een aanvraag 'verkort' af te doen. Verplicht zijn zij daartoe echter niet. (103) The Tribunal Procedure (First-tier) Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) Rules 2014, SI 2014/2604, rule 19. (104) In hoeverre tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland gelijkenis bestaat in het verloop van de procedure en de overige (procedurele) gevolgen, laat ik – bij gebrek aan relevantie – buiten beschouwing. (105) Kamerstukken II, 2014/2015, 34 088, nr. 3, p. 13. (106) Jamar Brown , punt 21. (107) Jamar Brown , punt 22. (108) Jamar Brown , punt 36. (109) Jamar Brown , punten 33-34. (110) Punt 58 van de considerans van de Procedurerichtlijn. (111) Punt 32 van de considerans van Richtlijn 2005/85/EG. (112) Alleen de toevoeging van section 94(5D) kan worden beschouwd als omzetting van de Procedurerichtlijn 2005. (113) Die intrekking geldt overigens alleen voor de door de 'nieuwe' Procedurerichtlijn 'gebonden lidstaten'. Aangezien het Verenigd Koninkrijk niet gebonden is door die richtlijn, lijkt die intrekking voor dat land dus niet gelden en blijft het Verenigd Koninkrijk – voorlopig (Brexit) – gebonden aan de Procedurerichtlijn uit 2005. (114) Zie bijvoorbeeld: ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2422, en ABRvS 20 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2351. Volgens Ch.W. Backes, ‘Een plicht tot rechtsvergelijkende motivering? Over de vraag hoe bestuursrechters omgaan met de interpretatie van EU-recht door hun buitenlandse collega’s’, in: A.T. Marseille e.a. (red.), Behoorlijk bestuursprocesrecht , Den Haag: BJu 2015, p. 313-329, zouden nationale rechters, als zij via de processtukken op de hoogte komen van een uitspraak van een buitenlandse hoogste rechter die afwijkt van hun opvattingen, zelfs uitdrukkelijk moeten motiveren waarom zij hiervan willen afwijken, en zouden zij bij twijfel de zaak prejudicieel moeten verwijzen. (115) 'Lijkt', want of zijn opvatting werkelijk zo ver gaat, weet ik niet zeker aangezien hij nog steeds spreekt van minderheidsgroepen van 10% of meer van de totale bevolking. (116) Artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2005/85/EG. (117) Deze redenering sluit ook aan bij de wijze waarop het concept 'veilige landen' onder de (oude) Vw werd toegepast. Op de lijst van veilige landen van herkomst werden destijds ook landen geplaatst waar de positie van bepaalde minderheden niet gewaarborgd was. Dat had ermee te maken dat plaatsing van een land op de lijst in belangrijke mate – mede – werd bepaald door de vraag of het land door de Bondsrepubliek Duitsland als veilig land van herkomst was aangemerkt. Wat betreft die minderheden werd vrij snel aangenomen dat het rechtsvermoeden dat de wet aan plaatsing op de lijst verbond niet gold (zie: T.P. Spijkerboer en B.P. Vermeulen, Vluchtelingenrecht , Utrecht: NCB 1995, p. 427). (118) Meijers Committee, Note on an EU list of safe countries of origin, Recommendations and amendments , CM 1515, 5 oktober 2015, p. 3 (www.commissie-meijers.nl). (119) 'Opinion of the European Union Agency for Fundamental Rights concerning an EU common list of safe countries of origin', FRA Opinion - 1/2016 [SCO], 23 maart 2016, p. 6 en p. 21‑22 (www.fra.europa.eu). (120) Artikel 30, eerste lid, van Richtlijn 2005/85/EG. (121) Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming (herschikking) (COM(2009) 554), p. 5-7. (122) UNHCR, 'Provisional Comments on the Proposal for a Council Directive on Minimum Standards on Procedures in Member States for Granting and Withdrawing Refugee Status', 10 februari 2005, p. 40-41. Zie ook: UNHCR, 'Improving Asylum Procedures: Comparative Analysis and Recommendations for Law and Practice – Detailed Research on Key Asylum Procedures Directive Provisions', maart 2010, p. 67-68 (www.refworld.org). (123) R (on the application of Singh (Balwinder)) v Secretary of State for the Home Department [2001] EWHC Adm 925, 14 november 2001. (124) D. Korsse, 'Concretiserende besluiten van algemene strekking en rechtsbescherming', JBplus 2016/2 (hierna: Korsse 2016), p. 84-95. (125) ABRvS 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3465. (126) ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3510 (Zaanstad); en ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3514 (Werkendam). De lijn in beide uitspraken wordt bevestigd in ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1503, en ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1526, en kan als vaste rechtspraak worden aangemerkt. (127) Zie bijvoorbeeld: ABRvS 23 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ5491. (128) Zie voor kritiek: Korsse 2016, alsmede Wolswinkel in zijn noot in AB 2015/5, onder ABRvS 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3465, en eerder onder meer F.J. van Ommeren, 'Concretiserende besluiten van algemene strekking', JBplus 2008/1, p. 3-19, en S.A.J. Munneke, 'De moeilijke grens tussen algemeen verbindende voorschriften en concretiserende besluiten van algemene strekking', NTB 2008, p. 11 e.v. Omdat deze conclusie niet betrekking heeft op de thematiek van de concretiserende besluiten van algemene strekking, ga ik op deze kritiek niet verder in. (129) Stcrt . 2015, nr. 40568. (130) Stcrt . 2016, nr. 8083. (131) Het is ook van belang voor de toepasselijkheid van de bepalingen van hoofdstuk 3 van de Awb. Op besluiten die een algemeen verbindend voorschrift inhouden is afdeling 3.2 van de Awb slechts van toepassing, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet (art. 3:1, eerste lid, aanhef en onder a). Verder is op besluiten die een algemeen verbindend voorschrift inhouden onder meer afdeling 3.7 van de Awb (motivering van besluiten) niet van toepassing (art. 3:1, eerste lid, aanhef en onder b). (132) ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622. (133) Uitdrukkelijk: ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3338. (134) Battjes 2016, par. 5.3. (135) Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, 15 april 2016, nr. 16/5766; Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 14 april 2016, nr. 16/5758. (136) Bijlage I van de Procedurerichtlijn en artikel 3.37f, eerste lid, van het VV 2000. (137) Bijlage I van de Procedurerichtlijn en artikel 3.37f, eerste en tweede lid, van het VV 2000. (138) Zie punt 39 van de considerans en artikel 37, derde lid, van de Procedurerichtlijn, alsook artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000. Zie ook: UNHCR, 'Global Consultations on International Protection/Third Track: Asylum Processes (Fair and Efficient Asylum Procedures)', 31 mei 2001, EC/GC/01/12, par. 39 (www.refworld.org). In zijn interventie in de onderhavige zaak noemt de UNHCR als mogelijke andere bronnen de toezichthoudende organen bij de VN-Verdragen en het Internationaal Comité van het Rode Kruis. (139) Artikel 37, tweede lid, van de Procedurerichtlijn en artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000. (140) Zie ook: punt 48 van de considerans van de Procedurerichtlijn, (141) Volgens HvJ 26 februari 2013, zaak C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105 (Åkerberg Fransson), moet deze frase ruim worden begrepen en is het Handvest van toepassing op al het handelen van nationale autoriteiten 'binnen het toepassingsgebied van het unierecht'. (142) HvJ 10 oktober 1987, zaak 222/86, ECLI:EU:C:1987:442 (Heylens); HvJ 30 april 2009, zaak C-75/08, ECLI:EU:C:2009:279 (Christopher Mellor); HvJ 17 maart 2011, gevoegde zaken C-372/09 en C-373/09, ECLI:EU:C:2011:156 (Peñarroja Fa). (143) HvJ 8 mei 2014, zaak C-604/12, ECLI:EU:C:2014:302 (H.N.). (144) Zie: Stcrt . 2015, nr. 40568 en Kamerstukken II, 2015/2016, 19 637, nr. 2076. (145) Zie voor Frankrijk: Conseil d’État 26 maart 2012, nrs. 349174, 349356, 349357, 349653 en 350189. In haar uitspraak van 10 oktober 2014, nrs. 375471 en 375920, laat zij de aanmerking van Albanië in stand, maar vernietigt zij de aanmerking van Kosovo. Zie voor België: Raad van State 23 oktober 2014, nrs. 228.901 en 228.902, 7 mei 2015, nr. 231.157, en 23 juni 2016, nr. 235.211 (www.raadvanstate.be). De uitspraken van de Belgische Raad van State zijn gebaseerd op het hoge aantal gehonoreerde asielverzoeken van Albanezen in België. Deze factor speelt bij de aanmerking van veilige landen in Nederland geen rol en sowieso ligt het aantal gehonoreerde asielverzoeken van Albanezen in Nederland veel lager. (146) Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 6 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6136. (147) Secretary of State for the Home Department v Javed and Others [2001] EWCA Civ 789, 17 mei 2001. (148) Deze maatstaf wordt ook toegepast door het Court of Appeal in R (on the application of Husan) v Secretary of State for the Home Department [2005] EWHC 189 (Admin), 24 februari 2005, waarin Bangladesh van de lijst van veilige landen wordt verwijderd, omdat ‘ no rational decision-maker could have concluded that there was no serious risk of persecution of persons entitled to reside there’. (149) BVerfG, Urteil vom 14. Mai 1996 – 2 BvR 1938/93, 2 BvR 2315/93 -, BVerfGE 94, 49‑114, punt 173. (150) Artikel 37, tweede lid, van de Procedurerichtlijn en artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000. Deze periodieke herbeoordelingsplicht geldt ook onafhankelijk van een concrete zaak (zie punt 5.7). (151) Zie de toelichting bij de Regelingen van de staatssecretaris van 10 november 2015, nummer 695431, en 10 februari 2016, nummer 732095, houdende wijziging van het VV 2000 ( Stcrt . 2015, 40568 en Stcrt . 2016, 8083) en zijn brieven aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 3 november 2015 en 9 februari 2016 (Kamerstukken II, 2015/2016, 19 637, nrs. 2076 en 2123). (152) Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU (COM(2015) 452). (153) Vergelijk artikel 294 van het VWEU. Zie voor een korte schets van deze procedure: K. Lenearts en P. Van Nuffel, European Union Law , Londen: Sweet&Maxwell 2011, p. 663‑672. (154) Zie voor dit alles: 'Draft Report on the proposal for regulation of the European Parliament and of the Council establishing an EU common list of safe countries of origin for the purposes of Directive 2013/32/EU of the European Parliament and of the Council on common procedures for granting and withdrawing international protection, and amending Directive 2013/32/EU', COM(2015)0452 – C8‑0270/2015 – 2015/0211(COD). Zie voor de laatste stand van zaken inzake het voorstel voor de Verordening: eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/HIS/?uri=CELEX:52015PC0452&qid=1464245266021. (155) Draft Report, amendment 11. (156) Het Europees Parlement heeft een amendement ingediend (Draft Report, amendment 3), dat beoogt dat alle nationale lijsten drie jaar na de inwerkingtreding van de Verordening ophouden te bestaan. Of dat wordt overgenomen door de Raad valt nu te bepalen. (157) Artikel 36, eerste lid, Procedurerichtlijn. (158) Vedsted-Hansen 2016, Artikel 36, punt 4. (159) Zie artikel 36, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. (160) Zie punt 42 van de considerans. (161) Artikel 31 van de Vw 2000. Zie voor een uiteenzetting van het systeem van de samenwerkingsplicht: ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2422. (162) Artikel 3.106b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 en paragraaf C2/7.2 van de Vc 2000. (163) Zie ook: Battjes 2016, par. 1.5. (164) ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ef13ad84cf21c3e431834c2a43dec95e99cbe82b98762cb91b4ab65b0a89bf42. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ef13ad84cf21c3e431834c2a43dec95e99cbe82b98762cb91b4ab65b0a89bf42, en de alinea staat in dat document op bytes 177556 tot 213865.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ef13ad84cf21c3e431834c2a43dec95e99cbe82b98762cb91b4ab65b0a89bf42 | shasum -a 256