Citaat | Raad van State 20 juli 2016
Onder 3.22 Raad van State 20 juli 2016
Een alinea uit Raad van State 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2040.
Het hiervoor genoemde artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn ziet op de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming en geeft inzicht in hoe de bewijslastverdeling in dat kader volgens de richtlijn is. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de verzoeker en de lidstaat om de relevante feiten te verzamelen. Enerzijds mogen de lidstaten van een verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van zijn verzoek - dat wil zeggen verklaringen, alle documentatie in zijn bezit over zijn leeftijd, achtergrond, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij om internationale bescherming verzoekt (zie noot 47) - zo spoedig mogelijk indient. Anderzijds hebben de lidstaten op hun beurt tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen. (zie noot 48) Het Hof heeft in een arrest van 22 november 2012 (zie noot 49) uitgemaakt dat deze op de lidstaat rustende samenwerkingsplicht concreet inhoudt dat:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ef13ad84cf21c3e431834c2a43dec95e99cbe82b98762cb91b4ab65b0a89bf42. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ef13ad84cf21c3e431834c2a43dec95e99cbe82b98762cb91b4ab65b0a89bf42, en de alinea staat in dat document op bytes 52779 tot 53965.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ef13ad84cf21c3e431834c2a43dec95e99cbe82b98762cb91b4ab65b0a89bf42 | shasum -a 256