Citaat | Raad van State 24 augustus 2016
Alinea 29 Raad van State 24 augustus 2016
Een alinea uit Raad van State 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2312.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank het door hem ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van haar oordeel dat het instellen van dit beroep misbruik van recht inhoudt. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat [appellant] het informatieverzoek over tien nagenoeg identieke brieven van dezelfde datum heeft verspreid, dat hij niet of zeer beperkt heeft gereageerd op gerechtvaardigde vragen van de minister over de verzenddatum van het Wob-verzoek, dat hij de verzending van deze brieven op uitzonderlijke wijze heeft vastgelegd en vervolgens heeft nagelaten de bewijzen van verzending aan de minister te verstrekken, dat hij niet tijdig heeft geantwoord op de vraag welke bestuursrechtelijke aangelegenheid het Wob-verzoek betreft en dat hij documenten heeft opgevraagd terwijl hij geen idee heeft welke informatie daarin is vervat. Deze gedragingen roepen ieder voor zich het beeld op dat [appellant] een vlotte afdoening van het informatieverzoek, waaronder het Wob-verzoek, heeft willen frustreren, terwijl de verklaring voor deze gedragingen, wanneer zij in onderlinge samenhang worden bezien, geen andere kan zijn dan dat [appellant] heeft beoogd ten laste van de overheid dwangsommen te incasseren wegens niet tijdig besluiten, aldus de rechtbank. [appellant] voert tegen het aangevallen oordeel van de rechtbank aan dat de omstandigheid dat hij het informatieverzoek over tien brieven heeft verspreid niet duidt op misbruik van recht. Daartoe verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1635, en naar een brief van de minister van 22 juli 2014. [appellant] stelt dat de minister in deze brief aan hem kenbaar heeft gemaakt er de voorkeur aan te geven dat elk afzonderlijk Wob-verzoek in een afzonderlijke brief wordt vervat. De wijze waarop hij het bewijs van verzending van het Wob-verzoek heeft vastgelegd noch de omstandigheid dat hij dit bewijs niet terstond heeft overgelegd, duidt op misbruik van recht, omdat hij, door aldus te handelen, de besluitvorming niet heeft belemmerd, aldus [appellant]. Verder voldoet het Wob-verzoek aan artikel 3, tweede lid, van de Wob, omdat door vermelding van het kenmerk cvom/bv/wob/2014/61, welk kenmerk door de minister is toegekend aan een dossier over een ander Wob-verzoek, duidelijk is op welke documenten het Wob-verzoek ziet. Gelet hierop heeft het de minister niet aan gegevens ontbroken om het Wob-verzoek te kunnen afhandelen. Voorts komt aan voormelde brief van de minister van 30 december 2014 geen betekenis toe. Daartoe stelt [appellant] dat deze brief van later datum is dan het beroepschrift van 29 december 2014. Bovendien mocht hij ervan uitgaan dat voormelde brief van de minister van 21 oktober 2014, nu daarin de ontvangst van tien brieven wordt bevestigd, tevens betrekking had op het Wob-verzoek, zodat zijn schriftelijke reactie daarop moet worden geacht óók op het Wob-verzoek te zien. De omstandigheid dat hij op 1 oktober 2014 niet bekend was met de inhoud van de met het informatieverzoek opgevraagde documenten duidt ten slotte evenmin op misbruik van recht. Het informatieverzoek ziet immers op een willekeurige selectie van kenmerken om inzicht te krijgen in de werkwijze van de minister, welk inzicht relevant is voor zijn juridische praktijk, aldus [appellant].
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7af73eef503913846f7197801b94b45df4ee7f11e78db6f0b357dcfe7c9d0c10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7af73eef503913846f7197801b94b45df4ee7f11e78db6f0b357dcfe7c9d0c10, en de alinea staat in dat document op bytes 9007 tot 12358.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7af73eef503913846f7197801b94b45df4ee7f11e78db6f0b357dcfe7c9d0c10 | shasum -a 256