Citaat | Raad van State 14 september 2016

Alinea 37 Raad van State 14 september 2016

Een alinea uit Raad van State 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2464.

4. [appellant A] en [appellante B] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester niet in redelijkheid tot sluiting van de woning kon overgaan en de sluiting niet in redelijkheid kon handhaven, maar had moeten volstaan met een waarschuwing. Sluiting is volgens hen alleen toegestaan bij de vondst van een omvangrijke hoeveelheid drugs en als personen hardleers zijn. De sluiting heeft grote gevolgen gehad. De verhuurder van de woning heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, waarmee zij definitief niet naar de woning kunnen terugkeren. Verder heeft de burgemeester hen na de sluiting alleen na tussenkomst van hun advocaat in de gelegenheid gesteld hun post op te halen, aldus [appellant A] en [appellante B]. Ondertussen dienden zij de huur van de woning door te betalen, zelfs voor een periode die langer duurde dan de sluiting omdat zij de woning in de tussentijd niet mochten ontruimen van de burgemeester. [appellante B] verbleef verder met de kinderen in een opvangtehuis waar ook junks zaten en mensen die voor de kinderen een gevaar konden zijn. Ook zijn [appellant A] en [appellante B] op een zwarte lijst terecht gekomen, met als gevolg dat zij niet snel in aanmerking zullen komen voor een nieuwe sociale huurwoning. Zij hebben echter onvoldoende inkomen om in de particuliere sector een huurwoning te vinden. Daarnaast heeft de burgemeester aan het in beroep bestreden besluit ten onrechte ten grondslag gelegd dat gevaar voor herhaling bestaat. [appellant A] is weliswaar eerder aangehouden voor het in bezit hebben van dan wel handelen in middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, te weten harddrugs, maar hij is daar nooit voor veroordeeld. Hij had met dat feit ook niets van doen. Daarnaast heeft [appellante B] in het geheel geen justitieel verleden en zal zij niet opnieuw dezelfde fout maken. De kinderen hebben evenmin een justitieel verleden. [appellant A] en [appellante B] stellen ook dat zij een goede relatie hadden met de buren. Sluiting van de woning gaf volgens hen meer overlast dan het niet sluiten van de woning. Verder wist [appellante B] nergens van. [appellant A] heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek. De woning stond voorts niet bekend als drugspand, omdat van daaruit niet in drugs werd gehandeld. Daarnaast heeft de politie in de bestuurlijke rapportage ook een alternatief voor sluiting aanbevolen, te weten het opleggen van een voorwaardelijke dwangsom.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/65cd201aac0e08cf087ece25b814a8518e31ef3752da1aa1967d355b8435de9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 65cd201aac0e08cf087ece25b814a8518e31ef3752da1aa1967d355b8435de9f, en de alinea staat in dat document op bytes 17535 tot 20001.