Citaat | Raad van State 5 oktober 2016

Alinea 30 Raad van State 5 oktober 2016

Een alinea uit Raad van State 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2640.

De verdere handelwijze van de stichting tijdens de procedure duidt er evenwel op dat het haar in dit geval te doen is om geldelijk gewin en niet primair om openbaarmaking van het memo ter verwezenlijking van haar doelstelling. Bij brief van 5 november 2013 heeft de minister de stichting in kennis gesteld van de voor ieder toegankelijke vindplaats van het memo op het internet. Tegen deze brief heeft de stichting op 17 december 2013 bezwaar gemaakt. Het op de indiening van dit bezwaar volgend procesgedrag van de stichting geeft blijk van handelingen waarvan zij geweten moet hebben dat die een tijdige besluitvorming op het bezwaar onnodig konden bemoeilijken. Eerst zes weken na de indiening van het bezwaar, derhalve na ommekomst van de termijn om een besluit te nemen op het bezwaar, bij brief van 1 februari 2014 heeft zij de gronden van het bezwaar aangevuld en tegelijk de minister in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op haar tot dat moment ongemotiveerde bezwaar. Door pas zo laat de gronden van bezwaar te verzenden, maakt de stichting het de minister onmogelijk tijdig over deze aangevoerde gronden beslissen. Hier komt bij dat de minister bij brief van 6 februari 2014 onder meer heeft verzocht om door middel van een antwoordformulier binnen drie weken te reageren op de bijgevoegde uitnodiging voor een hoorzitting. De stichting heeft dit op het eind van de termijn van drie weken gedaan en heeft te kennen gegeven op 13 maart 2014 te willen worden gehoord. Die datum lag ver voorbij het einde van de termijn van twee weken die de minister had om na de ingebrekestelling zonder verbeuren van dwangsommen te beslissen op het bezwaar van de stichting. De stichting heeft verder op de hoorzitting te kennen gegeven reeds over het memo te beschikken en graag te verifiëren of dit memo hetzelfde is als het memo dat de minister aan leasemaatschappijen had gestuurd. Niet valt in te zien dat de stichting dat niet direct na ontvangst van de brief van de minister van 5 november 2013 bij de minister had kunnen verifiëren. Ook heeft de stichting op de hoorzitting te kennen gegeven dat zij geen belang meer had bij het opnieuw verstrekken of openbaar maken van het memo, als de minister bevestigde dat het memo waarover zij beschikt gelijk is aan de memo die de minister aan leasemaatschappijen had gestuurd. Dit alles brengt de Afdeling tot het oordeel dat de stichting stelselmatig heeft getracht te voorkomen dat de minister tijdig op het bezwaar kon beslissen, dat het de stichting niet werkelijk te doen was om openbaarmaking van overheidsinformatie en dat zij haar bevoegdheden in deze met geen ander doel heeft gebruikt dan het behalen van geldelijk gewin door het innen van een dwangsom. Aldus heeft de stichting misbruik gemaakt van haar bevoegdheid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b108f638478d77651a54457bfb58c1f7dd5e01fffbe38faeab1d07ac807f1d07. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b108f638478d77651a54457bfb58c1f7dd5e01fffbe38faeab1d07ac807f1d07, en de alinea staat in dat document op bytes 13363 tot 16167.