Citaat | Raad van State 19 oktober 2016

Alinea 33 Raad van State 19 oktober 2016

Een alinea uit Raad van State 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2851.

5.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8026) zijn de positie en bevoegdheid van de vreemdeling alsmede de aanwezigheid van anderen voor dezelfde taken niet bepalend voor het beantwoorden van de vraag of de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de oorlogsmisdrijven. Slechts relevant is of in vorenbedoelde zin de bijdrage van de vreemdeling feitelijk effect heeft gehad op het begaan van die misdrijven en of deze hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld dan wel indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om die misdrijven te voorkomen. In dit verband is voorts van belang dat de veronderstelling dat artikel 1 (F) van toepassing is niet bewezen hoeft te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8392)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/887d865027b6cdf72f02af4c3ab0f2d91ee2adde2d1e73b620bf59c832491ed0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 887d865027b6cdf72f02af4c3ab0f2d91ee2adde2d1e73b620bf59c832491ed0, en de alinea staat in dat document op bytes 13330 tot 14328.