Citaat | Raad van State 10 februari 2016

Alinea 48 Raad van State 10 februari 2016

Een alinea uit Raad van State 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:313.

5.1. Dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 22 april 2015 heeft geoordeeld dat zich geen enkel bewijs in het strafdossier bevindt waaruit blijkt dat [appellant] op enige wijze betrokken is geweest bij de handel in hennep en/of hasjiesj vanuit de horeca-inrichting en hem heeft vrijgesproken van hetgeen hem in dit verband ten laste is gelegd, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2013 is voor de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet, anders dan in de strafrechtelijke procedure, persoonlijke verwijtbaarheid van [appellant] niet vereist. Hetgeen [appellant] in dit verband onder punt 27 van zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd over het verweer dat is gevoerd in zijn strafzaak, ziet niet op het voorhanden hebben in de horeca-inrichting van een handelsvoorraad softdrugs door [bezoeker] en doet derhalve niet af aan de aannemelijkheid van handel in softdrugs in de horeca-inrichting door [bezoeker].

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5217f8a43078325223f44d996fc37466806ae20da770318d7468d3f86ed41f3d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5217f8a43078325223f44d996fc37466806ae20da770318d7468d3f86ed41f3d, en de alinea staat in dat document op bytes 17189 tot 18227.