Citaat | Raad van State 14 december 2016

Alinea 39 Raad van State 14 december 2016

Een alinea uit Raad van State 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3339.

Voor zover de Stichting heeft beoogd te betogen dat de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwhoogtes het beschermd stadsgezicht aantasten, wordt overwogen dat dat in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2235, strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning, de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. In geval in een eerstbedoelde procedure wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Voor een dergelijke evidentie is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent. Niet is gebleken dat de hier aan de orde zijnde planregel evident in strijd is met enige wettelijke bepaling die ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingplan van toepassing was. De Stichting heeft in dit verband verwezen naar het besluit van 28 juni 1973 waarbij het gebied waartoe het perceel behoort in de gemeente Hulst is aangewezen als stadsgezicht in de zin van artikel 20 van de Monumentenwet. Dat aanwijzingsbesluit is onvoldoende concreet nu daarin geen bepalingen zijn opgenomen over de hoogte. Reeds daarom leidt het niet tot het in zoverre overbindend achten van het bestemmingsplan. Voor zover zij heeft beoogd te betogen dat de verkeerde bestemming aan het perceel is toegekend, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8594 dat de vraag of uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aan het perceel de juiste bestemming is toegekend, in het kader van een exceptieve toetsing van het desbetreffende planonderdeel niet aan de orde kan komen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/35e950779689193504d69a5be111b9adfc14d0ba0d38b0eef62606d9d64be5a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 35e950779689193504d69a5be111b9adfc14d0ba0d38b0eef62606d9d64be5a1, en de alinea staat in dat document op bytes 14372 tot 16636.