Citaat | Raad van State 5 februari 2016

Alinea 23 Raad van State 5 februari 2016

Een alinea uit Raad van State 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353.

1.3. Het voorgaande betekent dat de staatssecretaris een door een vreemdeling tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting als bezwaarschrift ingediend geschrift steeds terstond aan de bevoegde bestuursrechterlijke instantie dient door te zenden. Op die wijze kan de beoordeling van de rechtmatigheid van die voorgenomen feitelijke uitzetting op een bepaalde datum en een bepaald tijdstip plaatsvinden in het kader van de procedure tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, tenzij die instantie de rechtmatigheid van die feitelijke uitzetting reeds heeft beoordeeld. In dat laatste geval heeft de vreemdeling immers een rechtsingang gehad om zijn op een bepaalde datum en bepaald tijdstip voorziene voorgenomen feitelijke uitzetting aan te vechten. Als de bestuursrechterlijke instantie daarover een oordeel heeft gegeven, heeft de staatssecretaris in dat geval ook geen grond meer op bedoeld bezwaar te beslissen (vergelijk in dit opzicht de uitspraken van de Afdeling van 12 juni 2015 in zaken nrs. 201308246/1/V2 en 201307756/1/V2).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5b572dddb9fbec69427243c16c0b01f117076bf065b83278ed370b7c0f163784. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5b572dddb9fbec69427243c16c0b01f117076bf065b83278ed370b7c0f163784, en de alinea staat in dat document op bytes 8782 tot 9857.