Citaat | Raad van State 24 februari 2016

Alinea 32 Raad van State 24 februari 2016

Een alinea uit Raad van State 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:439.

3.4. Aan het primaire besluit ligt enkel ten grondslag dat [appellant] beschikt over een woonruimte. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb dient in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats te vinden op basis van de feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip waarop het besluit op bezwaar wordt genomen. Die heroverweging staat niet in de weg aan handhaving van het primaire besluit op een andere grond dan die waarop dat besluit steunt. Het college kon derhalve aan het besluit op bezwaar een tweede motivering ten grondslag leggen. Echter, in dit geval betreft die tweede motivering de omstandigheid dat [appellant] onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt. Nu het college dit standpunt niet in het primaire besluit had ingenomen, was [appellant] hiervan niet op de hoogte. Artikel 3:2 van de Awb houdt in een dergelijk geval voor het college de verplichting in om voorafgaand aan het besluit op bezwaar [appellant] te wijzen op de omstandigheid dat hij onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt en hem in de gelegenheid te stellen dit alsnog te doen. Dat heeft het college in dit geval niet gedaan. Weliswaar heeft het college in het verweerschrift dat het voorafgaand aan de hoorzitting van de Commissie voor de Bezwaarschriften heeft opgesteld en aan [appellant] heeft gezonden, gewezen op artikel 2.45 van de Wet brp, maar daarmee heeft het [appellant] niet expliciet in de gelegenheid gesteld alsnog voldoende inlichtingen te verstrekken. Deze schending leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank had dit gebrek immers met toepassing van artikel 6:22 van de Awb mogen passeren, aangezien aannemelijk is dat [appellant] hierdoor niet is benadeeld. Hiertoe wordt overwogen dat [appellant] op het eerste aanvraagformulier bij de vraag op welk adres dan wel adressen hij de komende zes maanden verblijft en voor hoe lang hij daar verblijft vier adressen heeft ingevuld. Op het tweede aanvraagformulier heeft hij op deze vraag het volgende geantwoord: "Overal en nergens. Hoe moet ik weten zonder huis waar ik de komende 6 maanden slaap. Sowieso buiten op straat." Ter zitting bij de rechtbank heeft het college wat betreft de te verschaffen inlichtingen toegelicht dat indien [appellant] aangeeft dat hij onder de brug in Almere slaapt, het college wil weten onder welke brug zodat het dat kan controleren. Met die informatie kan vervolgens worden onderzocht of [appellant] daadwerkelijk geen woonadres heeft. [appellant] heeft hierop geantwoord dat iemand die geen dak boven zijn hoofd heeft, niet kan zeggen dat hij de komende maand onder brug X slaapt. [appellant] heeft een zwervend bestaan. Het is pluk de dag en hij kijkt wel waar hij komt, aldus [appellant] ter zitting bij de rechtbank. In zijn hoger beroepschrift, waarin [appellant] zich onder meer richt tegen het oordeel van de rechtbank betreffende de inlichtingenverplichting, heeft hij evenmin voornoemde inlichtingen verstrekt. [appellant] heeft gelet hierop, hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inlichtingen verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaatsen. Ook indien het college [appellant] deze gelegenheid zou hebben geboden voorafgaand aan het besluit op bezwaar, had het college zich derhalve naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat [appellant] onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaatsen en hij daarom geen recht heeft op een briefadres.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2de3b4549985ae02efd671a2052bd0b384267f0335fba1d78bc8882178cd81ad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2de3b4549985ae02efd671a2052bd0b384267f0335fba1d78bc8882178cd81ad, en de alinea staat in dat document op bytes 11370 tot 14908.