Citaat | Raad van State 24 februari 2016

Alinea 39 Raad van State 24 februari 2016

Een alinea uit Raad van State 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:474.

9.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de brief van het college van 27 november 2002 niet kan worden geconcludeerd dat door hem concrete, ondubbelzinnige uitlatingen zijn gedaan waaraan [appellant sub 2] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het college nimmer handhavend zou optreden tegen het gebruik van de woning als burgerwoning. De brief van 27 november 2002 is een reactie op het verzoek van [appellant sub 2] van 29 oktober 2002. Beide brieven dienen in samenhang te worden bezien. In het verzoek is onder meer aangegeven dat [verzoeker rechtbank] op dit moment geen belangstelling heeft voor de woning en zijn huidige woning nu niet wil opgeven en dat het de wens van [appellant sub 2] is om nog enige tijd in de woning te blijven wonen. Uit de instemming van het college met dit verzoek kan geen ongeclausuleerde, in tijd onbeperkte, toezegging van het college worden afgeleid dat nooit handhavend zou worden opgetreden tegen het gebruik van de woning als burgerwoning. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college in de brief van 27 november 2002 als voorwaarde heeft gesteld dat zo veel mogelijk privaatrechtelijk wordt veilig gesteld dat beide bedrijfsgedeelten te zijner tijd weer één geheel kunnen worden. De rechtbank heeft, anders dan [appellant sub 2] betoogt, bij dit oordeel de brief van 7 oktober 2003 mogen betrekken. Die brief dateert weliswaar van na de notariële overdracht van 30 januari 2003, maar bevestigt de inhoud van de brief van 27 november 2002. De omstandigheid dat [verzoeker rechtbank], zoals door het college gesteld, met de inhoud van de brief van 27 november 2002 heeft ingestemd, betekent niet dat uit die brief kan worden afgeleid dat het college de toezegging heeft gedaan dat nimmer handhavend op zou worden getreden. De omstandigheid dat [verzoeker rechtbank] pas 4½ jaar na de overdracht van de midgetgolfbaan op 30 januari 2003 aan het college heeft verzocht om handhavend optreden, leidt voorts niet tot de conclusie dat [verzoeker rechtbank] niet kan aandringen op handhavend optreden. Uit de brief van 13 augustus 2003 van [verzoeker rechtbank] aan [appellant sub 2] en de reactie van [appellant sub 2] daarop in de brief van 17 september 2003, blijkt dat [verzoeker rechtbank] heeft getracht de woning te verwerven en dat [appellant sub 2] heeft aangegeven niet van plan te zijn om zijn woning te verkopen. Uit het verzoek om handhaving van 19 juli 2007 aan het college volgt voorts dat [verzoeker rechtbank] met verwijzing naar de brief van [appellant sub 2] van 17 september 2003 enige tijd heeft gewacht met het doen van een verzoek om handhaving nu uit die brief blijkt dat [appellant sub 2] nog enige tijd in zijn woning wenst te blijven wonen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b1c13d96605bb18397500e9e486efbaa0af24e3e2e65d7c7e6ea8bf4550dfe84. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b1c13d96605bb18397500e9e486efbaa0af24e3e2e65d7c7e6ea8bf4550dfe84, en de alinea staat in dat document op bytes 17736 tot 20494.