Citaat | Raad van State 16 maart 2016
Alinea 26 Raad van State 16 maart 2016
Een alinea uit Raad van State 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:681.
2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 20 juli 2005 in zaak nr. 200410561/1), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e82a7b5e6d87c36c8744f706c48f20b745034682db3810ac1db07fa5b5928e5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e82a7b5e6d87c36c8744f706c48f20b745034682db3810ac1db07fa5b5928e5e, en de alinea staat in dat document op bytes 8231 tot 9121.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e82a7b5e6d87c36c8744f706c48f20b745034682db3810ac1db07fa5b5928e5e | shasum -a 256