Citaat | Raad van State 16 maart 2016
Alinea 29 Raad van State 16 maart 2016
Een alinea uit Raad van State 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:701.
Anders dan [appellant A], [appellant B] en [appellant C] stellen, moeten de door [appellant C] namens [appellant A] en [appellant B] ingediende informatieverzoeken als Wob-verzoeken worden aangemerkt. Dat is beoogd deze verzoeken op de Wob te baseren blijkt uit het feit dat in de brieven van 3 juli 2013 wordt verzocht om de gevraagde informatie openbaar te maken, dan wel om de verzoeken onder toepassing van artikel 4 van de Wob door te geleiden naar het bestuursorgaan waar die informatie berust, uit de ingebrekestellingen, waarin is gesteld dat de termijn, bedoeld in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht is verstreken en uit het feit dat [appellant C] namens [appellant A] en [appellant B] de minister heeft gemaand tot betaling van verbeurde dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen op de informatieverzoeken. Uit de verzoeken blijkt dat daarmee niet is beoogd de gevraagde stukken voor een ieder openbaar te laten zijn, maar slechts om zelf in het bezit ervan te komen. Zoals de Afdeling eerder onder meer in voormelde uitspraken heeft overwogen, moet, gelet op de ruime kennis en ervaring van [appellant C], ervan worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat voor informatieverzoeken met voormeld doel de Wob niet de geëigende grondslag is en voorts dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek ertoe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan in geval van niet-tijdige besluitvorming aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Dit wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest de informatieverzoeken op de Wob te baseren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het procesgedrag van [appellant C] in deze zaak blijk geeft van handelingen waarvan hij moet hebben geweten dat die de praktische verwerkbaarheid van zijn correspondentie en daarmee de tijdige besluitvorming onnodig konden bemoeilijken. Zo heeft [appellant C] namens [appellant A] en [appellant B], naast de vijf voorliggende verzoeken, negentien verdere Wob-verzoeken gedaan ter zake van dezelfde twee CJIB-nummers waarop de verzoeken in deze zaak betrekking hebben. Voorts heeft [appellant C], hoewel de minister hem meermaals heeft verzocht zijn correspondentie aan het daarvoor bestemde postadres of faxnummer te richten, evenals in de zaken die tot voormelde uitspraken van de Afdeling hebben geleid, in het thans voorliggende geval de verzoeken, de ingebrekestellingen en het bezwaarschrift niet naar het juiste postadres en faxnummer verstuurd. [appellant C] moet hebben beseft dat hij door deze wijze van corresponderen een tijdige besluitvorming heeft bemoeilijkt, mede gelet op de grote hoeveelheid verdere correspondentie waarmee hij zich in dezelfde periode tot de minister heeft gericht. Voor dit procesgedrag kan, gegeven hetgeen hiervoor is overwogen over de bewuste keuze van [appellant C] om de informatieverzoeken op de Wob te baseren, geen andere plausibele verklaring worden gevonden dan het oogmerk om ten laste van de overheid dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/367c771a431ceb647c580fdf49ec249759cb40c8b6213b6947a9c5eeeb194bb0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 367c771a431ceb647c580fdf49ec249759cb40c8b6213b6947a9c5eeeb194bb0, en de alinea staat in dat document op bytes 8938 tot 11976.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/367c771a431ceb647c580fdf49ec249759cb40c8b6213b6947a9c5eeeb194bb0 | shasum -a 256