Citaat | Raad van State 13 april 2016

Alinea 31 Raad van State 13 april 2016

Een alinea uit Raad van State 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:980.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 20 juli 2005 in zaak nr. 200410561/1), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Het voorgaande betekent dat het beroep, voor zover mede ingesteld door de 22 personen genoemd in het aanvullende beroepschrift, niet-ontvankelijk is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c12fcdf09d9f5298b7219772c98d4060c3fd9f02b8065a61ce5f91a8a9d2a8df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c12fcdf09d9f5298b7219772c98d4060c3fd9f02b8065a61ce5f91a8a9d2a8df, en de alinea staat in dat document op bytes 9047 tot 10082.